Door Hanna

De strijd voor homorechten heeft in Frankrijk een ander parcours afgelegd dan in de VS. Toch had ook Frankrijk zijn eigen Stonewall. Zo’n moment waarop een grotendeels onzichtbare, ondergrondse sociale beweging opeens tevoorschijn springt en haar emancipatiestrijd in een stroomversnelling komt. Dat Franse verhaal is minder bekend, niet alleen omdat we in het Nederlandse taalgebied sowieso minder van Frankrijk weten dan van de VS, maar ook omdat dat verhaal overschaduwd werd door die andere grote sociale vulkaanuitbarsting: mei 1968.

De aanleiding van het Franse Stonewall was nu eens niet het wangedrag van de politie, maar het wangedrag van de media. De Franse journaliste Ménie Grégoire had op de radiozender RTL een populair praatprogramma, Allo, Ménie, over allerlei sociale kwesties. De uitzending van 10 maart 1971 zou gaan over homoseksualiteit. De experts die aan het woord gelaten zouden worden waren, behalve de conservatieve (we zouden nu zeggen: homonormatieve) homoactivist André Baudry, de homoseksuele journalist Pierre Hahn, een priester en een psychoanalyticus. Inderdaad, what could possibly go wrong? Het ging echter om een live uitzending met publiek, vanaf een locatie (een concertzaal) die makkelijk toegankelijk was. Achteraf bekeken best roekeloos. Toen de priester het woord nam, bestormden dertig mensen het podium, gooiden tafels en stoelen omver en één lesbienne beukte de priester met zijn hoofd tegen een tafel.[1]

Met deze actie was het Franse radicale homoactivisme op het nationale toneel geklommen. Er werd uitgebreid over geschreven in de pers. Diezelfde avond nog, waarschijnlijk nog helemaal euforisch over hun succes, richtten de activisten het Front Homosexuel d’Action Révolutionnaire (FHAR) op. Wat opviel aan deze groep van activisten was dat hij hoofdzakelijk uit vrouwen bestond.[2] Zoals in het geval van de Stonewall-rellen, zou ook in dit geval snel vergeten worden dat het vrouwen waren die het voortouw hadden genomen.

Alles!

Het is een teken des tijds dat in 1971 een radicale groep als het FHAR in de Beaux-Arts de Paris, de belangrijkste kunstacademie van Frankrijk, zijn wekelijkse vergaderingen kon houden. Deze bijeenkomsten, op donderdagavond, werden algauw berucht om hun libertaire en libertijnse karakter en trokken veel jonge linkse intellectuelen. Aanvankelijk bestonden de acties van het FHAR dan ook voornamelijk uit het schrijven en verspreiden van radicale teksten over homobevrijding. Dat verspreiden beperkte zich niet tot flyeren in het Parijse nachtleven. Één van de leden van het FHAR was Guy Hocquenghem, een linkse schrijver en voorloper van de latere queertheorie. Behalve bij het FHAR was deze ook betrokken bij het radicaal linkse blad Tout !, dat onder redactie stond van Jean-Paul Sartre. De lijntjes waren blijkbaar zo kort dat in april 1971 de twaalfde aflevering van dit tijdschrift verscheen met als thema ‘La libre disposition de notre corps’ (‘De vrije beschikking over ons lichaam’). In dit nummer werd de strijd voor het recht op abortus en contraceptie onder dezelfde noemer geschaard als de strijd voor gay liberation. De pagina’s over homoseksualiteit werden geschreven en geredigeerd door leden van het FHAR.[3]

‘Wij zijn het morele tapijt waaraan jullie je geweten afvegen’

Deze publicatie bracht veel teweeg. Niet alleen onder aanhangers van de homofobe gevestigde orde, maar ook onder homoseksuele mensen. Bij het FHAR stroomden de meest hartverscheurende brieven binnen. Voor het eerst werd homoseksualiteit voorgesteld als onderwerp van trots. Homoseksuelen waren de voorhoede van de revolutie, omdat ze niet in de burgerlijke, patriarchale en kapitalistische maatschappij pasten. Één van de teksten heeft als titel ‘Adresse à ceux qui se croient normaux’ (‘Aan degenen die zich als normaal beschouwen’) en geeft een goede indruk van de toon: ‘Nous sommes avec les femmes le tapis moral sur lequel vous essuyez votre conscience. (…) Nous ne sommes pas contre les normaux, mais contre la société normale. (‘Wij zijn, samen met de vrouwen, het morele tapijt waaraan jullie je geweten afvegen. (…) We zijn niet tegen normale mensen, maar tegen de normale samenleving.’) En verderop worden we opgeroepen om de ‘société fric des hétéro-flics’ (‘de samenleving van poen en smeris-hetero’s’) omver te werpen en om op te houden om ons gedeisd te houden (‘Arrêtons de raser les murs !’).

Wij hebben inmiddels zo’n halve eeuw queergeschiedenis van na de Stonewall-rellen achter de rug, met verschillende momenten waarop queers het zat werden om als het laagste van het laagste behandeld te worden en waarop ze erin slaagden om een klein beetje ademruimte te veroveren op de staat en de ‘normale samenleving’, maar in 1971 was dit geluid in Frankrijk nieuw en choquerend. Deze publicatie was zelfs zo choquerend, dat er een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld wegens openbare schennis van de goede zeden. Één van de colporteurs van Tout ! werd gearresteerd en eind mei 1971 werd de resterende oplage in beslag genomen.[4]

Hoewel dit radicale geluid vanuit de homoseksuele minderheid in Frankrijk ongehoord was, kwam het niet helemaal uit het niets. Mei ’68 was nog maar drie jaar geleden. Een aantal leden van het FHAR was actief geweest tijdens de protesten van ’68 en er was ook bij de bezetting van de Sorbonne al een eerste poging gedaan om te organiseren rond homoseksualiteit. De bekende marxist en latere anarcho-communist Daniel Guérin, die ook bij mei ’68 betrokken was geweest, was tevens lid van het FHAR. Een andere belangrijke invloed op het FHAR was natuurlijk Stonewall. Één van de oprichters van het FHAR, Guillaume Charpentier (een pseudoniem), had niet alleen deelgenomen aan de studentenprotesten van ’68, maar was kort daarna in New York getuige geweest van de Stonewall-rellen en was betrokken geweest bij de explosie van homoactivisme aan de beide kusten van de VS die erop volgde. Ook andere activisten van het FHAR noemden later Stonewall en het Gay Liberation Front als belangrijke inspiratiebronnen.[5]

Ondanks de affiniteit met radicaal links was het FHAR niet bij heel links geliefd. Brocialisme en manarchisme zijn geen recente uitvindingen. Toen Daniel Guérin in 1965 uit de kast kwam, waren zijn artikelen in verschillende linkse tijdschriften opeens niet meer welkom. De homofobie van links werd op de bekende manier verhuld. Bij het verschijnen van de hierboven genoemde aflevering van Tout ! regende het beschuldigingen van ‘individualisme petit-bourgeois’ en natuurlijk was er maar één soort onderdrukking: die van de arbeidersklasse. De homo’s kenden hun Marx niet. Ondertussen had men natuurlijk ‘alle sympathie voor de homoseksuele medemens’. Alhoewel… Een voormalig presidentskandidaat voor de Communistische Partij (PCF) vond dat homo’s naar de psychiater moesten, want mannen waren gemaakt om van vrouwen te houden.[6]

Gazolines

Behalve schrijven en publiceren behoorden ontregelen, normen belachelijk maken en autoriteiten ondermijnen tot de modus operandi van het FHAR. Binnen het FHAR bestond echter een informeel groepje van drag queens, trans en cis vrouwen die deze modus operandi tot het uiterste doorvoerden. Ze noemden zich aanvankelijk de ‘Camping Gaz Girls’, omdat ze tijdens de FHAR-vergaderingen in de Beaux-Arts thee serveerden die ze met behulp van een kooktoestel hadden gezet. Later bedacht één van hen de naam ‘Gazolines’, naar het nummer ‘Gasoline Alley’ van Rod Stewart.

Het ging niet simpelweg om drag

Als je biografieën van leden van de Gazolines leest, krijg je de indruk dat ze in die jaren van happening naar happening leefden. Een avondje in hun stamkroeg Le Petit Robert kon uitmonden in een rellerige optocht door Parijs waarbij ze de bourgeois en bourgeoises al vanaf grote afstand schrik aanjoegen door hun uitdossing: onwaarschijnlijke glittertops, luipaardprints, interessant haar, zwarte lipstick, gele wimpers – en blote ongeschoren benen. Het ging niet simpelweg om drag. Volgens het Parijse nachtdier Jenny Bel’Air waren de Gazolines zowel uitbundiger als kitscheriger dan drag queens.[7] Hun ontspoorde vrouwelijkheid was dan ook veel explicieter bedoeld om verwarring te zaaien en heteronormativiteit bloot te leggen.

Een favoriete bezigheid van de Gazolines was het betreden van ‘nette’ burgerlijke gelegenheden en dure winkels om vervolgens heel hinderlijk aanwezig te zijn onder het roepen van hun cri de guerre: ‘Bite!’ De herkomst van deze kreet, dubbelzinnig slang voor onder meer ‘penis’, is tot op de dag van vandaag een twistpunt onder de Gazolines.

Ook bij de 1 mei-demonstraties, die in Frankrijk in de jaren zeventig erg groot waren, was het moeilijk om de Gazolines over het hoofd te zien. Ze vormden een sterk contrast met de radicaal linkse macho’s van de vakbonden en revolutionaire organisaties. Ze dansten uitbundig en riepen, met een valse knipoog naar het Communistisch Manifest: ‘Prolétaires de tous les pays, caressez-vous!’ (‘Proletariërs aller landen, geeft elkaar een knuffel!’). Bij het lezen van verslagen uit die tijd moet ik zelf denken aan het latere radical cheerleading dat ik bij andersglobaliseringsdemonstraties zag.[8]

Bij alle vrolijkheid en uitbundigheid van de Gazolines zijn ook wel een paar kanttekeningen te plaatsen. Vooral de trans vrouwen leidden een precair bestaan. Vaak waren ze dakloos en verdienden ze wat geld door mannen op te pikken in le quartier chaud in de wijk Pigalle. Ook de onderlinge relaties waren niet altijd even hartelijk. Wat daarbij niet hielp, is dat ze elkaar vaak, bij wijze van spel, probeerden te overtreffen in valsheid en wreedheid. (Goh, wat een bijzonder jurkje!’) Bovendien waren niet alle Gazolines even politiek. Marie France bijvoorbeeld, die later een bekende zangeres en actrice werd, was weliswaar één van de eerste Franstalige punkzangeressen en mascotte van het FHAR, maar in haar autobiografie laat ze doorschemeren dat ze zich niet thuis voelde bij de radicaal linkse politiek van de jaren zeventig. Ook Gazolines als Maud Molyneux en Jenny Bel’Air waren te dandy om er ondubbelzinnige politieke analyses op na te houden en Grizelda bleek zelfs een politie-informante.[9]

Ondanks de verbijstering waarin ze de Parijse burgerij na hun interventies doorgaans achterlieten, waren de Gazolines nou ook weer niet helemaal du jamais vu. De vroege jaren zeventig waren ook de jaren van de glamrock met artiesten als David Bowie, Brian Eno, Lou Reed en Iggy Pop, die op allerlei manieren speelden met gendernormen. Ook de Cockettes, een theatercollectief uit San Francisco, die in hun performances bonte en excentrieke kostuums gebruikten en bekend stonden om hun genderfucks, waren een inspiratiebron voor de Gazolines. Bovendien had Parijs een traditie van transgender cabaret, met bekende artiesten als Coccinelle en April Ashley, die op het toneel een vrouwelijkheid cultiveerden die nooit helemaal vrij was van ironie.[10]

De tactieken van de Gazolines lijken ondertussen geïnspireerd op het werk van de Situationistische Internationale. Dit internationale collectief van libertair marxistische kunstenaars en denkers was een belangrijke invloed geweest tijdens mei ’68 en ook binnen het FHAR waren situationistische ideeën nog steeds populair. Marie France gebruikt bijvoorbeeld de situationistische termen ‘psychogéographie’ en ‘dérive’ om de spontane zwerftochten van de Gazolines door de stad te beschrijven.[11] De manier waarop ze vrouwelijkheid gebruikten om heteronormativiteit te ondermijnen heeft verder veel weg van de situationistische tactiek van het détournement, waarbij aan kapitalistische of autoritaire boodschappen (zoals reclames) door een kleine aanpassing een antikapitalistische of antiautoritaire draai wordt gegeven. Ook de speelse manier waarop ze chaos zaaiden in burgerlijke gelegenheden en in de openbare ruimte doet situationistisch aan.

Een begrafenis

Op 25 februari 1972 werd de maoïstische activist Pierre Overney tijdens een actie bij een fabriek van Renault in Parijs doodgeschoten door een bewaker. Dit leidde tot grote verontwaardiging en rellen. De begrafenis op 4 maart liep uit op een demonstratie met meer dan tweehonderdduizend deelnemers, met kopstukken als Sartre en Foucault. Ook de Gazolines, die tijdens de rellen enkele dagen eerder nog een politieauto omver hadden geduwd, waren erbij, gehuld in theatrale rouwkleding. Ze hadden zich voor deze gelegenheid gecast als klaagvrouwen en om de provocatie compleet te maken riepen ze de leuze: ‘Liz Taylor, Overney, même combat !’ (‘Liz Taylor, Overney, één strijd!’) Natuurlijk kan het geen kwaad om de rituelen van machistisch radicaal links op de hak te nemen, maar tijdens een begrafenis? Het FHAR kreeg de wind van voren. Voor Daniel Guérin was het de druppel en hij brak met het FHAR.[12]

Het was niet de eerste crisis in het korte bestaan van het FHAR. Hoewel het FHAR was opgericht door lesbische vrouwen, waren na de verschijning van nummer 12 van Tout ! vooral mannen toegestroomd. De vrouwen hadden steeds meer moeite om gehoord te worden en ze stoorden zich aan de vrouwelijkheid van de Gazolines. Bovendien waren de vergaderingen in de Beaux-Arts voor veel mannen vooral een gelegenheid om te cruisen. Volgens Jenny Bel’Air vonden de kunststudenten eens ’s ochtends na een vergadering van het FHAR spermadruppels op een schildersezel.[13] Het is dus niet zo vreemd dat de lesbische feministes zich begonnen af te vragen wat ze nog in het FHAR te zoeken hadden. In het voorjaar van 1971 besloten ze om een eigen organisatie op te richten, de Gouines rouges (‘Rode potten’). Deze groep, met bekende feministes als Monique Wittig en Christine Delphy, heeft maar kort bestaan, tot 1973, maar heeft veel invloed gehad op het Franse feminisme, vooral als stem van het lesbische feminisme in de bredere Mouvement de libération des femmes (MLF).

Het FHAR had ook een probleem met structuur en organisatie. Pogingen om vragen over de doelstellingen en de werking van de organisatie te beantwoorden werden snel als ‘autoritair’ gezien. De algemene vergaderingen van het FHAR op donderdagavond verliepen ook om die reden erg rommelig en zo kwam het zwaartepunt van de organisatie in enkele kleine actieve groepjes te liggen. Het FHAR zelf werd steeds meer een lege huls en vanaf 1973 kwam er niets meer van enige politieke betekenis voort uit de vergaderingen in de Beaux-Arts. Toen de politie in februari 1974 op verzoek van de school de vergaderruimte van het FHAR in de Beaux-Arts ontruimde was er nauwelijks protest.[14]

Later werd de Gazolines voor de voeten geworpen dat zij een belangrijke rol hadden gespeeld in de ondergang van het FHAR. Het FHAR zou hebben bestaan uit toegewijde homoactivisten die in hun streven gefrustreerd werden door de chaos die de Gazolines steeds weer wisten te veroorzaken. Het antwoord van Gazoline Hélène Hazera op deze aantijging was later: ‘C’est flatteur, mais exagéré.’ (‘Dat is vleiend, maar overdreven.’) Integendeel, de Gazolines waren slechts de meest uitgesproken situationistische en provocerende groep binnen het FHAR, dat van dezelfde revolutionaire geest doortrokken was.[15] Je kunt je zelfs met Maxime Foerster afvragen of de Gazolines niet juist een essentiële rol hebben gespeeld in dat vroege homoactivisme. De parallel met de Stonewall-rellen is pijnlijk: ook hier duurde het decennia voordat de grote rol die trans vrouwen en drag queens hadden gespeeld erkend werd.[16]

Het FHAR heeft maar kort bestaan. Toch is het radicale homoactivisme in Frankrijk na 1974 niet verdwenen. Weliswaar hield de homobeweging in Frankijk zich in de tweede helft van de jaren zeventig vooral bezig met lobbyen voor specifieke rechten, maar de aidscrisis van de jaren tachtig en negentig zorgde voor een nieuwe radicalisering en de geboorte van de hedendaagse Franse queerbeweging. In Parijs werd in 1989 door militante aidsactivisten Act Up-Paris opgericht, gemodelleerd naar het een paar jaar eerder opgerichte Amerikaanse ACT UP. De analyses van Act Up-Paris waren vlijmscherp en betroffen de samenleving als geheel, de homofobie, het racisme en het seksisme. De aidsepidemie had deze zaken in een heel nieuw (en nog harder) daglicht geplaatst.

Natuurlijk moeten we de invloed van het Amerikaanse voorbeeld niet uitvlakken, maar de herinnering aan het FHAR was in die tijd nog springlevend. Sterker nog, ex-Gazolines als Hélène Hazera waren actief binnen Act Up-Paris en één van de bekende homoactivisten van de jaren tachtig, Franck Arnal, noemde de nieuwe radicalen expliciet ‘les enfants du FHAR’.[17] En waar werden (en worden) de wekelijkse algemene vergaderingen van Act Up-Paris gehouden? In een collegezaal van de Beaux-Arts! Die aidsactivisten waren natuurlijk veel effectiever en veel beter georganiseerd dan het FHAR, maar hun hoop dat de LHBTI-gemeenschappen een bron van verzet konden worden tegen de dwingende normaliteit van patriarchaat en kapitalisme was voor het eerst verwoord door het FHAR. Met al hun gebreken en mislukkingen behoren het FHAR en de Gazolines toch tot de voorouders van de huidige queers.

Noten

1. ^ Michael Sibalis, ‘L’arrivée de la libération gay en France. Le Front Homosexuel d’Action Révolutionnaire (FHAR)’, Genre, sexualité & société, 3, lente 2010 (DOI: 10.4000/gss.1428) 1-2.

2. ^ Ibidem, 5-6.

3. ^ Benoît Bréville, ‘Homosexuels et subversifs’, Manière de voire, nummer 118, augustus-september 2011, online op www.monde-diplomatique.fr.

4. ^ Ibidem. Zie verder Tout !, 12, april 1971, 6.

5. ^ Sibalis, ‘L’arrivée’, 9.

6. ^ Bréville, ‘Homosexuels et subversifs’.

7. ^ François Jonquet, Jenny Bel’Air. Une créature (Parijs 2001) 208.

8. ^ Maxime Foerster, Elle ou lui ? Une histoire des transsexuels en France (Parijs 2012) 88-91.

9. ^ Hélène Hazera, ‘Grizelda, la Gazoline indic’, 27 oktober 2012 op minorites.eu; Marie France, Elle était une fois… Récit (Parijs 2003) 175 en verder.

10. ^ Foerster, Elle ou lui ?, 91.

11. ^ Marie France, Elle était une fois, 181.

12. ^ Françoise Travelet, ‘Le dossier du FHAR’, Gulliver, forum des lettres, des arts et de la vie quotidienne, 1, november 1972; ‘Que reste-t-il du FHAR, quarante ans après ?’, 9 juni 2011 op monde-libertaire.net.

13. ^ Jonquet, Jenny Bel’Air, 214-215.

14. ^ Sibalis, ‘L’arrivée’, 28.

15. ^ Ibidem, 32-33.

16. ^ Foerster, Elle ou lui ?, 92.

17. ^ Sibalis, ‘L’arrivée’, 42.

 

Deze tekst verscheen eerder op Why So Feminist?

Advertenties