door Hanna

Genderneutraliteit veroorzaakt de laatste maanden veel opwinding in de westerse media. In augustus was er veel discussie over de NS die aankondigde dat reizigers vanaf 10 december niet meer met “dames en heren” maar met “beste reizigers” aangesproken zouden worden. In dezelfde week kwam de gemeente Amsterdam in het nieuws met de genderneutrale taalgids voor haar ambtenaren. De ophef was nauwelijks tot bedaren gekomen toen het Britse warenhuis John Lewis begin september aankondigde dat de labels “boy” en “girl” uit de kinderkleding verwijderd zouden worden. Een stap die een paar weken later door de HEMA nagevolgd zou worden.

Nu is het toe te juichen dat gendernormen minder invloed krijgen op ons leven. Als niet meer zo strak is voorgeschreven welke kleding door mannen en welke kleding door vrouwen gedragen mag worden, wordt het voor transseksuele mensen in transitie en voor non-binaire mensen makkelijker en veiliger om zich in de openbare ruimte te begeven. Ook cis mensen zullen zich niet meer angstig hoeven af te vragen of ze zich wel voldoende mannelijk of vrouwelijk presenteren. Toch komen in het kielzog van dit goedbedoelde streven naar genderneutrale kleding en taal ook ideeën en praktijken mee die best eens tegen het licht gehouden mogen worden.

(Cis)seksisme en misogynie

Wat opvalt in veel artikelen over dit onderwerp is dat gender wordt gezien als een verzameling stereotypen. Het gaat steeds over roze prinsessenjurkjes en barbiepoppen voor meisjes en speelgoedwapens en speelgoedauto’s voor jongens. Deze reductionistische kijk op gender is niet heel verrassend als je bedenkt dat al deze artikelen door cis mensen geschreven zijn. Voor cis mensen is gender nu eenmaal een blinde vlek. Zo konden we onlangs in Hadley Freemans column in The Guardian lezen dat we al die genderstereotypen moeten loslaten en erkennen dat we allemaal non-binair zijn. Ze trivialiseerde zo de moeilijkheden van non-binaire trans mensen met een aplomb dat de huidige president van de VS niet zou misstaan. Helaas vind je deze vorm van cisseksisme in veel pleidooien voor genderneutraliteit terug.

Wat ook opvalt in die artikelen is een  asymmetrie tussen jongens- en meisjesstereotypen. Een meisje dat geen jurkje wil dragen wordt toegejuicht, maar de ouders die er trots op zijn dat hun cis zoontje liever met poppen speelt ben ik nog niet tegengekomen. Natuurlijk heeft vrouwelijkheid een slechte naam die deels terug te voeren is op feministische analyses die best hout snijden. Maar voor een deel gaat het hier volgens mij gewoon om misogynie. Artikelen als dat van Lisa Selin Davis over haar dochter die een tomboy is (“en niet transgender!”) suggereren dat meisjesachtige meisjes minderwaardig zijn. Dat de masculiene stereotypen die kennelijk wel zonder reserve omarmd mogen worden niet minder beperkend en schadelijk zijn – pistolen in plaats van poppen? – blijft onbesproken.

Kan “genderneutraal” iets anders betekenen dan “mannelijk” in een patriarchale cultuur?

Dit seksisme vind je ook terug in genderneutrale kleding. De genderneutrale kledinglijnen die we tot nu toe voorbij zagen komen waren toch vooral erg baggy met veel rustige, donkere kleuren. Eigenlijk was het gewoon mannenkleding. Onlangs was er een bericht over een Britse school die overging tot genderneutrale schooluniformen: “formal, suit-like trousers – no fashion trousers, chinos, jeans nor cargo pants” met “totally black, flat shoes (not boots) with no additional colour whatsoever” – ook hier weer: traditionele mannenkleding. Mannen zijn de onzichtbare standaard, zoals Simone de Beauvoir lang geleden liet zien, en die standaard is nog altijd springlevend. Kan “genderneutraal” iets anders betekenen dan “mannelijk” in een toch nog steeds patriarchale cultuur?

Voorbij het feminisme?

Deze voorbeelden doen vermoeden dat het streven naar genderneutraliteit wel eens op gespannen voet zou kunnen staan met het feminisme. Paisley Currah, die samen met Susan Stryker in 2014 het tijdschrift TSQ: Transgender Studies Quarterly oprichtte, schreef een aantal kritische teksten over het concept “gender” zoals trans activisten (inclusief hijzelf) dat vanaf de jaren negentig zijn gaan voeren. Vooral in het interessante essay “Feminism, Gender Pluralism, and Gender Neutrality: Maybe it’s time to bring back the binary” legt hij de vinger op een aantal zere plekken. Hij beschrijft hoe de invoering van het begrip “transgender” als parapluterm voor een voortdurend verbredend en diversifiërend spectrum van identiteiten en praktijken leidde tot een politieke theorie die nauwelijks nog oog had voor de asymmetrische relatie tussen twee specifieke genders: de onderdrukking van vrouwen door mannen. Centraal in deze theorie, die sterk beïnvloed is door poststructuralistische feministes als Judith Butler, staat juist een transgender subject waarvan het specifieke gender onbelangrijk en vaak ook fluïde is.

Het gevaar bestaat dat we de feministische onderbouwing van een toegankelijke abortusbehandeling uit het oog verliezen

Deze theorie leidt tot een praktijk die nogal eens botst met feministisch activisme. In de VS staat de toegankelijkheid van abortus voortdurend (en nu meer dan ooit) onder druk. Het blijft dus belangrijk dat activisten een scherpe politieke analyse hanteren om hun activisme effectief te kunnen verdedigen. Deze analyse hield tot nu toe altijd in dat abortus een kwestie is van vrouwenrechten, dat mannen na millennia van onderdrukking niet langer het recht hebben om te bepalen wat een vrouw met haar eigen lichaam doet (“de vrouw beslist”). Katha Pollitt beschrijft in haar artikel “Who Has Abortions?” hoe in diezelfde VS trans activisten bezwaar maken tegen het gebruik van de term “vrouw” in de context van abortus. Immers. ook trans mannen kunnen ongewenst zwanger raken. Termen als “vagina” worden ook als kwetsend ervaren en zouden vermeden moeten worden. Veel hulporganisaties op het gebied van abortus gaan mee in deze hang naar genderneutraliteit. Het gevaar bestaat, aldus Pollitt, dat we straks de feministische onderbouwing van een toegankelijke abortusbehandeling uit het oog verliezen en zo terrein verliezen aan de antiabortuslobby. Haar voorstel is om recht te doen aan de sociale en politieke realiteit en wel het woord “vrouw” te blijven gebruiken maar daarbij te benadrukken dat abortusklinieken ook toegankelijk zijn voor trans mannen.

Sommige commentatoren leven al in een genderneutrale utopie en vinden dat de term “feminisme” er nu ook maar aan moet geloven. De biologe Betsy Cairo schreef eerder dit jaar in The Huffington Post een wellicht provocerend bedoeld artikel van die strekking. Haar argument is dat de wereld steeds genderneutraler wordt en we eigenlijk al niet meer in een “gender binary” leven en dat het woord “feminisme” juist bijdraagt tot het benadrukken van verschillen en het in stand houden van die “binary”. En natuurlijk is er nog wel een loonkloof, maar daarbij gaat het niet zozeer over vrouwen die minder verdienen dan mannen, maar over ongelijkheid tussen mensen. In plaats van “feminist” zouden we dus allemaal “equalist” moeten zijn.

Het moet in de verbeeldingswereld van liberale feministes (of equalistes?) goed toeven zijn. Er is hooguit nog wat ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar daar komen we met wat bijsturend beleid wel uit. Helaas is buiten de liberale droomwereld een feministische politiek nog altijd bittere noodzaak. Volgens een grootschalig Europees onderzoek dat in 2014 gepubliceerd werd, is 45 procent van de vrouwen in Nederland ooit slachtoffer geworden van seksueel of fysiek geweld. Bijna driekwart heeft seksuele intimidatie meegemaakt. Één op de tien vrouwen is ooit verkracht. Één op de vijf vrouwen is mishandeld door een partner of ex-partner. Één op de vier vrouwen is ooit slachtoffer geworden van stalking. Wat zal in verreweg de meeste gevallen het gender van de dader geweest zijn? Of is dat irrelevant geworden nu de genderneutrale utopie voor de deur staat?

Volgens de Monitor mensenhandel (pdf) uit 2016 waren er in de jaren 2011-2015 4795 geregistreerde slachtoffers van seksuele uitbuiting (p. 18). Van deze slachtoffers was 97 procent vrouw (p. 24). Er wordt veel geruzied over schattingen van het aantal gevallen van gedwongen prostitutie, maar als je al bijna vijfduizend meldingen hebt in vijf jaar, en als je bedenkt dat de meldingsbereidheid waarschijnlijk laag is en dat de aandacht voor mensenhandel bij de politie in dezelfde periode is afgenomen (p. 10), dan is het niet erg onvoorzichtig om te concluderen dat er op dit moment vele duizenden vrouwen in Nederland als seksuele koopwaar worden verhandeld. En door wie worden deze vrouwen zo uitgebuit? En wie zijn de klanten? Yep. Mannen. En dan laat ik de legale prostitutie nog buiten beschouwing.

Kortom, de machtsasymmetrie waarop het feminisme altijd heeft gewezen, het patriarchaat, is nog lang niet verdwenen. Het is dus ontzettend belangrijk om die asymmetrie niet te verhullen met genderneutrale taal en liberale pleidooien voor een beetje meer “gelijkheid”.

Nu wil ik niet betogen dat de NS ons niet met “beste reizigers” mag begroeten of dat de genderlabels terug moeten keren in de kinderkleding van de HEMA. Vrijheid van gendernormen maakt het leven voor iedereen – cis, trans, man, vrouw, non-binair – leefbaarder. Ik vind wel dat we moeten beseffen dat genderneutraliteit niet neutraal is. Gender is politiek en alles wat we met gender doen vindt plaats in een sociale en culturele context die nog altijd sterk door oude patriarchale ideeën wordt beïnvloed. Laten we niet vergeten dat er vrouwen zijn – op zijn minst tot de onderdrukking van vrouwen voorgoed tot het verleden behoort.

 

Advertenties