door Hanna

De laatste tien jaar is er in linkse activistische kringen een ander soort politieke cultuur in opkomst. Dit is een ontwikkeling die zich tegelijkertijd op Noord-Amerikaanse universiteitscampussen lijkt te voor te doen. Het gaat om een systeem van ideeën en praktijken dat wel anti-oppression politics genoemd wordt. Het is een systeem met veel nuttige gereedschappen (meestal ontleend aan het feminisme), zoals het consequent zichtbaar en bespreekbaar maken van privileges, de zorg voor sociale veiligheid in de vorm van safe(r) spaces en het plaatsen van trigger warnings bij inhoud die voor mensen met onverwerkt trauma belastend kan zijn. In veel feministische en antiracistische groepen worden deze gereedschappen met succes toegepast.

Toch zijn er ook wel problemen met deze politiek. In de praktijk wil de zorg voor veiligheid en het bewust zijn van privileges wel eens ontaarden in het bewaken van conformiteit en in regelrechte repressie. Er is dan ook de nodige kritiek uit linkse hoek. Zo is er al enkele jaren in Amerikaanse progressieve media een debat gaande over call-out culture: de gewoonte om medeactivisten die op het vlak van privileges een misstap begaan publiekelijk af te branden.

In haar boek Excluded (2013), probeert Julia Serano dit soort uitwassen in activistische bewegingen te begrijpen als een gevolg van subtiele uitsluitingsmechanismen. In meer radicale kringen wordt ondertussen de kritiek geuit dat anti-oppression politics de problemen van klasse en kapitalisme reduceert tot privileges van individuen en daarmee eigenlijk een verkapte vorm van liberalisme is. Een sterk voorbeeld van deze laatste kritiek is het pamflet Who Is Oakland?, dat lering probeert te trekken uit de ervaringen met anti-oppression politics tijdens Occupy Oakland.

In haar boek Conflict Is Not Abuse biedt Sarah Schulman nog weer een andere manier om de schaduwzijden van deze politieke cultuur te begrijpen. Zij signaleert overal in de Noord-Amerikaanse samenlevingen een neiging om ongemakkelijke gevoelens rond conflicten en verschillen te interpreteren als indicatie dat er sprake is van abuse, een woord dat zonder precieze context onvertaalbaar is, omdat het zowel “misbruik”, “mishandeling” als “(seksueel) geweld” kan betekenen; ik laat het daarom onvertaald. Volgens haar komt deze neiging om gedrag van anderen te snel als vijandig, bedreigend en dus abusive te interpreteren voort uit zowel trauma als superioriteitsdenken (supremacy). Ze traceert dit patroon van overreactie in zeer verschillende situaties, van een escalerende ruzie in een intieme relatie tot de criminalisering van hiv-positiviteit in Canada. Ze doet dat niet op een systematische en academische manier, maar kiest bewust voor een “ongedisciplineerde” essayistische aanpak, waarbij ze naar eigen zeggen de traditie van queer en feministische schrijfsters als Audre Lorde en Adrienne Rich volgt.

Het is ironisch dat de overreactie die ze beschrijft ook haar eigen boek had kunnen treffen, ware het niet dat de auteur een stevige reputatie heeft. Sarah Schulman is een van de vijf oprichtsters van de Lesbian Avengers, een bekende lesbische directe actiegroep in New York, en ze was betrokken bij de organisatie van de eerste grote nationale Dyke March in Washington in 1993. Verder heeft ze een lange staat van dienst als schrijfster van zowel fictie als non-fictie en als queer en linkse activiste, onder meer rond Palestina en de BDS-beweging. Kortom, we hebben hier niet te maken met een conservatieve trol.

Schulman zegt dan ook zeker niet dat abuse niet vaak voorkomt of niet ernstig is. De neiging tot overreactie komt volgens haar meestal juist voort uit ouder trauma dat wel degelijk het gevolg is van echte abuse. Ze geeft het voorbeeld van een lesbisch stel, Belize en Kelly. Nadat Kelly het heeft gewaagd om de inwonende volwassen zoon van Belize een keer op zijn onverantwoordelijk en manipulatief gedrag aan te spreken, raakt Belize zo overstuur dat ze Kelly buitensluit, belastert bij haar vrienden en een valse aangifte tegen haar doet. Vanwaar deze overreactie? Belize blijkt uit een zeer patriarchale familie te komen, met een abusive stiefvader, waarbinnen mannelijke familieleden boven iedere kritiek verheven waren. Het gedrag van Kelly, dat die diepgewortelde patriarchale noties uitdaagde, riep bij Belize ondraaglijke gevoelens van schaamte en woede op. Haar onverwerkte trauma’s zorgden ervoor dat ze volwassen assertief gedrag als abuse ervoer. Schulman merkt op dat de politie in dit geval veertig jaar te laat en om de verkeerde persoon is gebeld.

Het repressieve staatsapparaat kan zo’n situatie, waarin sprake is van conflict en niet van abuse, alleen maar verergeren

De politie en de staat spelen een grote rol in het boek. Schulman ziet een toenemende bemoeienis van de staat met conflicten binnen relaties. Het onvermogen om conflicten op te lossen en de neiging om conflict en abuse te verwarren leiden ertoe dat de politie wordt ingeschakeld in situaties waarin dat twintig jaar geleden ondenkbaar was. Ze geeft het tragikomische voorbeeld van twee mannen in Connecticut die elkaar een wederzijds straatverbod opgelegd hadden weten te krijgen. Doordat ze beiden met een methamfetamineverslaving kampten, waren ze niet in staat om de geschillen in hun relatie op te lossen en toen de situatie escaleerde schakelden ze allebei de politie in, waarbij ze elkaar als abuser afschilderden. Het repressieve staatsapparaat kan zo’n situatie, waarin sprake is van conflict en niet van abuse, alleen maar verergeren. De politie is ook vaak niet in staat om de situatie goed in te schatten, zelfs als het om echte abuse gaat. In 2013 werd in de VS bij meer dan de helft van de aanhoudingen voor huiselijk geweld waarbij LHBT-mensen betrokken waren, het slachtoffer in plaats van de dader gearresteerd.

De staat wordt natuurlijk ook ingezet in conflicten tussen groepen. Schulman wijdt een hoofdstuk aan de criminalisering van hiv-positiviteit in Canada. In tientallen landen (ook in Nederland tot 2005) is het strafbaar voor iemand met hiv om zijn of haar status te verzwijgen bij seksuele contacten. In veel gevallen geldt dit zelfs voor beschermde seks. Het hebben van seks terwijl je hiv-positief bent en die status niet kenbaar maakt, wordt dus gezien als mishandeling van je partner, als abuse. Hierbij wordt buiten beeld gehouden dat hiv-negatieve mensen er zelf voor verantwoordelijk zijn dat ze hiv-negatief blijven. Hiv-negatieve mensen worden ten onrechte neergezet als volkomen onschuldige slachtoffers van gewetenloze hiv-positieve mensen. Schulman verklaart deze verwrongen opvatting uit het superioriteitsdenken van hiv-negatieve mensen: de hiv-positieve ander is het monster, de abuser. Dit superioriteitsdenken gaat terug tot het begin van de aidsepidemie, toen het mijden, isoleren en marginaliseren van mensen met hiv en aids gruwelijke vormen begon aan te nemen, maar volgens Schulman steekt het nu in Canada sterker de kop op onder invloed van het oprukkende homonationalisme: hiv-negativiteit wordt nu gezien als brevet van aangepastheid, assimilatie, dus als het ultieme bewijs dat je een “goeie” homo bent… In dit hoofdstuk over hiv laat Schulman trouwens ook doorschemeren dat ze in het straffen van mensen überhaupt niet zo veel ziet. Ze suggereert dat de neiging om te straffen altijd voortkomt uit trauma of superioriteitsdenken (of beide) en dat het strafrecht ervoor zorgt dat abuse blijft voortwoekeren in de samenleving.

Schulman geeft door heel het boek heen verschillende voorbeelden die aan de discussies rond safe spaces en call-out culture raken. Zo vertelt ze dat ze een lezing gaf op een liberal arts college in de VS, waarbij enkele slachtoffers van seksueel geweld tijdens de vragen aan het einde met haar in discussie gingen. Ze legde daarbij uit dat de oudere feministische beweging tegen geweld de oorzaken van geweld tegen vrouwen probeerde te begrijpen en die vooral zochten in “het patriarchaat, racisme en armoede”. Ze betreurde dat die nadruk op begrip en oorzaak inmiddels was vervangen door een nadruk op straffen, wat de macht van de politie en de staat vergroot, maar de onderliggende oorzaken van het geweld ongemoeid laat. Een van de studentes raakte daarop overstuur en zei bevend van woede dat iemand dus tegen haar, toen ze als tienjarige door haar vader mishandeld werd, had moeten zeggen dat hij dat alleen maar deed vanwege “het patriarchaat, racisme en armoede”! Omdat Schulman doorhad wat hier gebeurde, wist ze door heel rustig en empathisch met deze studente te praten en door haar te vragen wat ze precies voelde toen Schulman aan het woord was, de studente in te laten zien dat haar perceptie tijdelijk vervormd was doordat ze herinnerd werd aan haar traumatische kindertijd. Ik kan me voorstellen dat deze uitwisseling in sommige safe spaces anders zou zijn afgelopen…

Dit voorbeeld illustreert ook waar volgens Schulman de oplossingen gezocht moeten worden. Het is belangrijk om bij conflicten in contact te blijven en beide partijen uit te laten leggen wat er volgens hen aan de hand is en om oog te houden voor nuances. Tekstgebaseerde communicatiemiddelen zoals sms, email en sociale media zijn dan ook niet geschikt voor communicatie in een conflictsituatie. Het is te makkelijk om een verwrongen beeld van de ander in stand te houden en om de ander af te snijden. Ze laat ook zien dat het gebruik van tekstuele communicatie vaak het ontstaan van conflicten in de hand werkt. Ook de groep of gemeenschap is van grote betekenis. Als we onderdeel uitmaken van een groep of gemeenschap die onderlinge loyaliteit hoger plaatst dan rechtvaardigheid, kan ons onvermogen om conflicten op te lossen uitmonden in pestgedrag, uitsluiting en zelfs dodelijk geweld. Ze heeft het over “negatieve gemeenschappen”, die zich kritiekloos achter hun leden scharen wanneer deze door hun superioriteitsdenken of trauma’s anderen tot zondebok maken. In dit licht beschrijft Schulman het gedrag van de staat Israël in de bezette gebieden en hoe dat gedrag gerechtvaardigd wordt. Haar oplossing komt uiteindelijk neer op een appèl aan mensen en gemeenschappen om accountable te zijn, om verantwoordelijkheid te nemen voor hun gedrag en dus voor hun aandeel in conflicten, ook als dat gepaard gaat met ongemakkelijke gevoelens.

Conflict Is Not Abuse vind ik een moeilijk boek. Je moet jezelf steeds voorhouden dat ze niet over abuse schrijft, maar over conflicten en het onvermogen om ze op te lossen. Veel lezers zullen zelf ook kampen met trauma’s, waardoor ze het gevoel kunnen krijgen dat Sarah Schulman hun pijn niet serieus neemt. Maar het gaat niet over hun pijn. Het gaat over situaties waarin ze het risico lopen dat hun pijn, hun trauma, henzelf tot abuser maakt. Ik blijf wel met een aantal vragen zitten. Mag je van getraumatiseerde mensen altijd verwachten dat ze hun trauma onder ogen zien? Hebben we in sommige situaties niet recht op een beetje vermijding? En wie bepaalt of er sprake is van conflict of abuse? Het is een lastig onderwerp, dat uiteindelijk ook aan diepere vragen over rechtvaardigheid en verzoening raakt. Conflict Is Not Abuse heeft zeker zijn zwakke kanten, maar het heeft mij wel verder geholpen met nadenken over conflicten en sociale veiligheid en ik denk dat het een belangrijk boek is.

Deze tekst verscheen oorspronkelijk op Why So Feminist?

Zie ook

Advertenties