door Ida Dequeecker

Een feministisch manifest met de titel Why I Am Not A Feminist: het is slim bedacht van Jessa Crispin, na We Should All Be Feminists van Chimamanda Ngozi Adichie, dat al zo goed verkocht. Toen ik me Why I Am Not A Feminist wilde aanschaffen was de voorraad uitgeput. Enkele weken later volgt de afknapper. Jessa Crispin belooft “oude wonden te openen, nieuwe te slaan en een gevaar te zijn” maar uiteindelijk schopt ze maar wat in het wilde weg tegen de schenen van “het feminisme”.

Dat is nogal gênant nu het feminisme in al zijn diversiteit een nieuw activistisch elan aan de dag legt en feministische debatten meer dan ooit (op)leven. Niet dat Crispin soms geen nagels met koppen slaat of rake vragen stelt! Dat doet ze met oppervlakkige verve, terloops uit de mouw geschudde definities, een ontstellend gebrek aan historisch besef, enig gemoraliseer en nogal wat zelfingenomenheid.

Vragen bij gangbare feministische aannames

Crispin maakt ontegensprekelijk ongemakkelijke filosofische bedenkingen bij een reeks actuele feministische thema’s. Is betaald werk het ultieme doel van vrouwenemancipatie? Doet het er eigenlijk toe hoe vrouwen op de arbeidsmarkt varen vergeleken bij mannen, gezien de wereld van werk en geld iedereen schaadt? (p. 29) Kunnen we op een andere manier kijken naar onbetaald werk – niet enkel als iets dat vrouwen opgedrongen werd – en het waardevolle ervan zien? (p.34)

Als we van toxische mannelijkheid spreken, moeten we dan ook niet van toxische vrouwelijkheid spreken? (p. 71-72) Hoe beknotten ideeën en verwachtingen rond liefde, huwelijk, schoonheid “onze” feministische praktijk en betrachtingen? Wat kan men verwachten van een patriarchaal rechtssysteem (“a patriarchal system like the criminal justice complex”) (p. 133)? Hoe erg speelt het verlangen naar wraak bij seksueel overschrijdend gedrag van mannen en moeten “we” altijd op straf uit zijn? (p. 137)

Kritiek van het feminisme

De opdracht van het feminisme is volgens Crispin komaf maken met het bestaande systeem, tenminste als het feminisme rekening wil houden met alle vrouwen. Maar dat doet het niet. Het is geïntegreerd in het systeem, zodanig zelfs dat het zich met alle middelen distantieert van feministen die een radicale maatschappijverandering voorstonden. Feminisme is volgens Crispin een modeverschijnsel geworden, een lifestyle. Als iemand zich feminist noemt is het vandaag al goed! (p. 12). De focus is verlegd van het maatschappelijk-structurele naar het individuele. (p. 9) Prima. Meteen komen ergerlijke voorbeelden dit bevestigen, zoals de blog van de Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) “Beslist Feminist”, waar een hond met een hoed op zich als feminist mag manifesteren.

Crispin serveert ons leuke flarden lectuur. Je denkt: “ha, nu hoor je het eens van een (bestsellende) ander”. Maar uiteindelijk valt het te dun uit. Vaststellen dat het feminisme de wereld niet heeft veranderd is een open deur intrappen. Het was en is een niet ingeloste ambitie van bepaalde feministische (minderheids)stromingen. Maar zo ziet Crispin het niet. Het feminisme lijkt voor haar één pot nat, een vaag eenheidsfeminisme gedomineerd door vrouwen die van het systeem profiteren en het in stand houden en die daarom afstand nemen van radicale feministen als Andrea Dworkin en Shulamith Firestone ten voordele van een Gloria Steinem (“that banal, CIA-funded icon for white middle-class women” p. 41). Nergens in haar boek situeert Crispin zich binnen de reëel bestaande feministische beweging met haar diverse stromingen. Ze verkiest in het voetspoor te treden van bekende internationale radicale schrijfsters.

Zo lijkt Crispin een slagveld in scène te zetten van één tegen allen. Pas maar op, want als het feminisme zo diepgezonken is noem ik mezelf geen feminist meer. Mythe gecreëerd, succesvolle marketing verzekerd.

“Het feminisme” als concept bij Crispin

In een tijd waarin de idee van vele feminismen verworven is, lijkt het voor de hand te liggen dat als men kritiek heeft, men ook duidelijk maakt welk feminisme die kritiek betreft. Crispin heeft het over “universeel feminisme” (p. 5). Maar wat is “universeel feminisme”? Een feminisme dat iedereen bevalt? is dat een feministische stroming of een verzameling van populaire feministische gevoelens en meningen? Crispin stelt dat de doorsnee feminist die aangesproken wordt door dat universeel feminisme doorgaans een goed opgeleide witte middenklasse vrouw is. (p. 28). Maar is het niet zo dat wat goed opgeleide witte middenklasse vrouwen feminisme noemen een verzameling uiteenlopende populaire feministische opvattingen is, wat iets anders is dan een universeel feminisme? Wat is overigens een doorsnee (median) feminist?

Crispin heeft het ook over het wit mainstream feminisme (p. 48) en witte mainstream feministen (p. 49). Zijn dat uitvoeringen van die doorsnee feminist? Hebben die middenklassevrouwen hun eigen feminisme en hoe problematisch is dat? Domineert een wit middenklassefeminisme binnen het feminisme? Waarom? Hoe? Of domineert dat middenklassefeminisme in de westerse samenleving en doet het zich voor als het énige universele feminisme? De nuances is niet onbelangrijk, maar voor Crispin doet het er niet toe.

Crispin hekelt de creatie van “a unified front for feminism” (p. 28). Maar wie is daarmee bezig en waarom? Welke politieke, filosofische, discursieve mechanismen zitten daarachter? Nog een term van haar is keuzefeminisme (choice feminism). Daarmee bedoelt ze een feminisme dat elke persoonlijke keuze die een vrouw maakt feministisch noemt (p. 50).

Crispin heeft het verder ook gemunt op een feminisme dat de wereld eng interpreteert volgens man-vrouw tegenstellingen, terwijl voor een bepaalde categorie van welstellende vrouwen net alle man–vrouw obstakels opgeruimd zijn (p.50). Aangenomen dat dit laatste klopt blijft er de vraag, wie dat feminisme verdedigt en waarom…

Crispin spreekt misschien als “witte” feministe tot “witte” feministen en hun etnocentrisme. Maar je kan er als lezeres slechts naar raden, expliciteren doet ze het niet. Crispin verwoordt vooral veel herkenbare boosheid maar ook niet meer dan dat. Ze betreurt de teloorgang van de radicaliteit van de tweede feministische golf, maar ze doet de moeite niet om te analyseren waarom en hoe het fout is gegaan.

Liever moraliseren dan analyseren

Crispin lijkt de tweede feministische golf gelijk te stellen met het radicaal feminisme, terwijl dat er slechts een deel van was, naast andere feminismen. Het ontstaan van nieuwe feministische stromingen sindsdien negeert ze. Kortom ahistorisch moraliseren en boosheid hebben bij Crispin de overhand op analyse en pogingen tot verklaren.

Zo stelt ze dat in de recente geschiedenis van het feminisme “wij” “ons” toegespitst hebben op het vervullen van de dromen van witte, goed opgeleide middenklasse vrouwen, zoals daar zijn gelijk loon, toegang tot hoger onderwijs, uitstel van moederschap (p. 28). Het is een vreemde manier van formuleren. Ten eerste is er met die eisen zelf niets mis. Ten tweede is er evenmin iets mis met middenklasse feministen die opkomen voor hun eisen. Er is wel iets grondig mis met de idee dat hun belangen de belangen van alle vrouwen vertegenwoordigen. Het is een terecht verwijt aan een bepaald westers feminisme, waar Crispin even op alludeert als ze het heeft over de neerbuigende houding van “westerse feministen” tav vrouwen in Moslimlanden (p. 35). Maar met haar veralgemenende “wij” moraliseert Crispin meer dan dat ze probeert de concrete werkelijkheid te begrijpen.

Een beetje analyse kan duidelijk maken dat in de westerse wereld een bepaald feminisme, vandaag hegemonisch is. Het is een feminisme dat in harmonie is met het heersende neoliberale marktsysteem en dat vaak schaamteloos ingezet wordt voor imperialistische, racistische en islamofobe doeleinden. Feministische politieke figuren als een Gwendolyn Rutten of een Hillary Clinton zijn er de boegbeelden van. Hun feminisme kan de vele kleedjes gepast worden die Crispin bedacht. Maar het heeft ook een naam, die het politiek maatschappelijk duidelijk situeert: het heet neoliberaal feminisme! In een door het neoliberalisme gedomineerde wereld, domineert een neoliberaal feministisch gedachtengoed. Dat spreekt vele vrouwen aan en zeker witte goedverdienende middenklassevrouwen. Maar ongetwijfeld ook vele vrouwen uit andere sociale lagen. Dat is nu net wat een heersende ideologie doet.

De notie wit middenklassenfeminisme is tegelijk beperkend en deterministisch. Alsof wit zijn je veroordeelt tot een wit feminisme. De witte middenklasse is de sociale basis voor dit feminisme. Maar het is niet omdat je tot die middenklasse behoort dat je veroordeeld bent tot een bijhorend feminisme en het is niet omdat je niet tot die klasse behoort dat dat feminisme geen invloed op je kan hebben.

Binnen het “wit” feminisme bestaan er vele feminismen, die georganiseerd weerwerk bieden aan het hegemonisch neoliberaal feminisme samen met vele andere diverse feminismen. Net dat maakt het ook mogelijk het “wit” zijn, het delen in “witte” privileges en het genieten van “witte” machtsverhoudingen te problematiseren!

Binnen of buiten het systeem

Crispin stelt de uitdagende vraag of het feminisme een betere wereld heeft gecreëerd (p. 35). Het antwoord is simpel: neen. “We zien geen meer egalitaire wereld, maar dezelfde wereld met gewoon meer vrouwen er in” (p.57). “Vrouwen zijn nu actieve deelnemers in het machts- en onderdrukkingssysteem” (p. 59). Jammer genoeg denken velen dat het énige wat fout is met dit systeem – en met “systeem” bedoel ik deze complexe wereld die we inadequaat aanduiden met woorden als “patriarchaat” of “kapitalisme” – is dat het hen uitsluit (p. 61). “Met andere woorden, jij, een vrouw, maakt ook deel uit van het patriarchaat” (p. 62). Er is allemaal wel iets van aan, maar toch is het ook hopeloos vaag en veralgemenend. Het getuigt meer van een uitdagende boosheid dan van bereidheid er iets van te begrijpen en het debat aan te gaan met feministen die even boos zijn over de verstandhouding tussen bepaald feministische stromingen en de gevestigde orde.

Het verhaal van Crispin zet vooral de feministe in de verf die zich geen feminist meer wil noemen en die zichzelf ziet als een eenzame radicale feministische voorvechtster. Eenzaam is het sleutelwoord. Radicaliseren is immers vaak begeleid proces, terwijl er vandaag, aldus Crispin, maar enkele actieve radicale feministen zijn, waarnaar geluisterd wordt en die een plaats krijgen in het huidige debat. (p. 63) Het maakt de énige mogelijke keuze er niet gemakkelijker op: mee doen met het systeem of je erbuiten stellen. “It’s lonely outside the system. But we need you out here” (p. 64). Al is niet duidelijk wie die “we” nu weer zijn.

Ida Dequeecker

Jessa Crispin, Why I’m not a feminist. Melville House Publishing, Brooklyn – London, 2017

Advertenties