door Barbara De Witte

Het medische tijdschrift JAMA publiceerde onlangs een opmerkelijk artikel getiteld: “Patients treated by female docs have lower risks of death.”. Uit het onderzoek dat in dit artikel beschreven werd, bleek dat oudere patiënten die verzorgd werden door vrouwelijke artsen, vier percent minder kans hadden om te sterven binnen de maand na de dag van opname in het ziekenhuis in vergelijking met patiënten die door mannelijke artsen werden opgevolgd. Bovendien hadden patiënten van vrouwelijke artsen 5 percent minder kans om opnieuw opgenomen te moeten worden binnen de maand na het verlaten van het ziekenhuis.

Dr. Ashish Jha, co-auteur van het oorspronkelijke artikel liet weten dat bijkomend onderzoek noodzakelijk was om de oorzaak van deze bevindingen te kunnen duiden maar voorgaand onderzoek suggereerde reeds dat mannelijke en vrouwelijke artsen hun beroep als arts verschillend uitoefenen (Blaszczak-Boxe, 2016). Een hypothese die door Tsugawa et al. (2016) werd aangehaald, is dat vrouwelijke artsen meer geneigd zijn om te steunen op klinische richtlijnen en ervaringsgerichte praktijken en bovendien meer preventieve zorg aanbieden en effectiever communiceren met hun patiënten in vergelijking met mannelijke confraters. Tsugawa et al. (2016) concludeerden hun onderzoek door te stellen dat de alternatieve aanpak van vrouwelijke artsen belangrijke klinische implicaties kon hebben voor patiënten en bijkomend onderzoek dus zeker relevant zou zijn.

Martine Laval, een Franse psychologe en auteur van het boek “N’écoutez pas votre cerveau!”, voerde een interessant pleidooi op basis van jaren ervaring als coach binnen de medische sector ten aanzien van praktijken binnen de westerse geneeskunde. Laval stelde vast dat artsen vaak een groot gebrek aan luistervaardigheid vertonen en hier bovendien zeer weinig van bewust zijn (Laval, 2010, p. 37). Volgens haar, staan artsen doorgaans sceptisch ten aanzien van communicatietechnieken omdat zij zichzelf niet in vraag wensen te stellen: het aanvaarden van een minimale nederigheid om de eigen praktijk in vraag te stellen komt niet aan de orde daar het hun status als arts in gevaar brengt (Laval, 2010, p.37). Van aan het begin van zijn opleiding, wordt de westerse arts verteld dat hij alle emoties, hetzij bij zichzelf of bij de patiënt, dient te negeren en indien deze persisteren, er zo snel mogelijk komaf mee moet maken daar zij een goede praktijk dreigen te “parasiteren” (Laval, 2010, p.39). Hoewel een potentieel verschil tussen vrouwelijke en mannelijke artsen door Laval niet werd aangekaart, maakt zij de link tussen de westerse geneeskunde welke zich, volgens haar, in een militaristische logica heeft genesteld en de patriarchale orde die doorgaans nog binnen de westerse wereld regeert (Laval, 2010, p.70). Artsen, zo argumenteert zij, klampen zich vast aan een machtspositie gebaseerd op kennis welke zij ook steeds weer uitspelen aan de hand van onbegrijpelijk jargon wanneer hun status in gevaar wordt gebracht door de patiënt (Laval, 2010, p.49).

Kritiek op het zorgsysteem en het reduceren van personen tot hun zorgbehoeften werden, binnen een breder denkkader van een zogenaamde “zorgethiek”, reeds door een aantal feministen geuit. Joan Tronto (1993), bijvoorbeeld, beschreef een zorgethiek dat eerder gericht dient te zijn op de praktijk dan op regels en principes. Hoewel Tronto er net voor pleitte dat zorg niet langer gestereotypeerd mag worden als een vrouwelijk gegeven en beperkt tot de zorg van kinderen, ouderen,… biedt haar analyse van wat zorg inhoudt een interessante kijk op de doorsnee westerse geneeskunde die Laval o.a. besprak. Volgens Tronto (1993) bestaat goede zorg uit vier dimensies: ontvankelijkheid voor zorgnoden, het opnemen van verantwoordelijkheden, het aanbieden van adequate zorg en, tenslotte, responsiviteit. Zorg is volgens haar geen onproblematisch of harmonisch gegeven maar een dialectisch proces waarbij spanningsvelden tussen de verzorger en de zorgbehoevende dienen aangepakt te worden. Centraal staat het belang van empathie en communicatie waarbij de “verzorger” aandacht heeft voor de specifieke ervaringen van de “zorgbehoevende”. Sara Ruddick (1980) stelde, binnen eenzelfde logica, onder de noemer “maternal thinking”, een alternatieve zorgethiek voor waarbij reflectie, beoordeling en emotie gecombineerd worden. Deze inzichten staan scherp in contrast met de uiterst rationele benadering van ons zorgsysteem. Hoewel zorg binnen de private sfeer hoofdzakelijk aan vrouwen wordt toevertrouwd, wordt de zorg voor diegenen die professionele hulp noodzaken, een publieke, mannelijke kwestie. Zoals Laval aangaf, vertoont ons westers zorgsysteem veel “symptomen” van een typisch patriarchaal systeem waar macht centraal staat en gelinkt wordt aan kennis, waar de zorgbehoevende elke vorm van agency wordt ontnomen, waarin een dichotoom denken overheerst en een hiërarchische orde standhoudt. Reflexiviteit van artsen wordt onderdrukt door een opgelegd, genormeerd denkkader en het uitwisselen van ervaringen om standpunten kritisch uit te dagen wordt beperkt door het strikt opgelegde dogma van het zogenaamde beroepsgeheim (Laval, 2010, p. 40-45). De vier dimensies van zorg die door Tronto werden benoemd, lijken, volgens Laval’s analyse, afwezig te zijn in ons zorgsysteem. Voornamelijk de ontvankelijkheid voor specifieke zorgnoden welke essentieel is om gepaste zorg aan te bieden, blijkt niet te worden gestimuleerd bij artsen. Het feministisch pleidooi dat pleit voor een nederige positionering van de wetenschapper, in dit geval de arts, waarbij participatie van de “onderzochte”, de patiënt, wordt gestimuleerd, sluit aan bij Laval’s pleidooi. In extreme zin zou men er zelfs vanuit kunnen gaan dat de patiënt de meest objectieve en dus meest waardevolle bron van kennis is om zich op te funderen tijdens medisch onderzoek en om een aangepaste behandeling tot stand te brengen. Getuigenissen van artsen die zelf ernstige ziektes hebben overleefd, bevestigen dat de eigen ervaring als patiënt, hun standpunt als arts en het uitoefenen van hun job soms radicaal verandert (Laval, 2010, p.48).

Terwijl de westerse geneeskunde zich de laatste jaren meer openstelt voor alternatieve geneeswijzen zoals o.a. de traditionele Chinese of boeddhistische geneeskunde (Laval, 2010, p. 50), is het alternatief, zoals het recente onderzoek van Tsugawa et al. (2016) suggereert misschien veel dichter bij huis te vinden. Zorgwaarden zoals Tronto en consoorten promoten en volgens Laval ontbreken binnen het huidige systeem, zijn waarden die doorgaans meer “typerend” zijn voor vrouwen. Of dit een natuurlijk gegeven is of wordt gestimuleerd door genderstereotypen doet hier niet echt ter zake. Wat interessant is, is dat dergelijke waarden als luistervaardigheid, openheid, nederigheid en empathie kunnen aangeleerd worden en dat er, mits een aangepast denkkader, afstand gedaan kan worden van de machtspositie waar artsen zich op basis van hun zogezegde “kennis” aan vastklampen. Dat vrouwelijke artsen die deze waarden reeds meer lijken te vertonen in vergelijking met hun mannelijke collega’s betere klinische resultaten scoren, valt niet te verwaarlozen en zou nogmaals kunnen wijzen op enerzijds, de gevaren en gebreken van een dominante, mannelijke wetenschap en institutie en anderzijds, de toegevoegde waarde van een “vrouwelijke” aanpak welke reeds lange tijd door feministen wordt verdedigd.

Uiteraard kan ook een eenzijdige “moederlijke” zorgethiek zoals Ruddick (1980) deze beschreef in vraag gesteld worden. Geneeskunde blijft nu éénmaal een complexe wetenschapsbeoefening en technologische vooruitgang heeft hierin eveneens zijn efficiëntie bewezen. Door de stem van de patiënt te laten overheersen, loopt men alweer het risico slechts één enkel standpunt te belichten. Zoals Watson et al. (2004) tevens aankaartten in hun onderzoek naar spanningsvelden tussen de feministische visie op zorg en de visie vanuit disability movements, dient men een evenwicht na te streven tussen de erkenning van de “verzorgende” en van de “zorgbehoevende”. De feministische visie legt de nadruk op het creëren van relaties en identiteiten en pleit voor erkenning van de “verzorgende” terwijl disability movements het concept “zorg” vaak verwerpen om empowering van mensen met een beperking te stimuleren en de zorgrelatie beperkt tot een instrumentele, taakgerichte relatie (Watson et al., 2004). Een nieuw discours om beide standpunten met elkaar te verzoenen pleit voor zogenaamde ‘interdependentie’ welke gebaseerd is op de idee dat zorg afhankelijk van het moment en de context noodzakelijk is en in functie hiervan verleend dient te worden (Watson et al., 2004). De betekenis die aan zorg gegeven wordt is geen statisch gegeven maar dient in relatie tot de context beschouwd te worden waarbij de afhankelijkheid van de “zorgbehoevende” steeds gerevalueerd dient te worden en agency van de zorgverstrekker versus agency van de “zorgbehoevende” in rekening moet worden gebracht (Watson et al., 2004). Toegepast op het geneeskundig discours is het bijgevolg noodzakelijk dat de rol van de arts, als “expert” in het bezit van wetenschappelijke kennis, in balans wordt gebracht met de rol van de patiënt (of beter, actiënt) die zelf over een aanvullende, alternatieve vorm van kennis beschikt, nl. ervaring vanuit de lichamelijke waarneming. Het zou best kunnen dat vrouwelijke artsen, bewust of onbewust, vanuit een natuurlijke aanzet of onder invloed van stereotype genderrolpatronen, deze balans reeds beter beheersen. Vervrouwelijking van de medische wereld zal echter geen garantie zijn voor radicale veranderingen zolang de structuren verder steunen op patriarchale normen. Een feministische houding binnen de geneeskunde waarbij zowel vrouwelijke als mannelijke artsen meer rekening gaan houden met ervaringen van de patiënt zou echter wel voor een significante vooruitgang kunnen zorgen. Misschien is dit ook het geheim van praktijken zoals deze binnen de boeddhistische geneeskunde bestaan en de westerse wereld blijven verwonderen. Aandacht voor het individu als een fysiek en emotioneel geheel binnen een specifieke context, is al eeuwen lang de sleutel van deze alternatieve geneeswijzen.

Referenties

Blaszczak-Boxe, A. (2016, 19 December). Patients Treated by Female Docs Have Lower Risk of Death. Geraadpleegd op, 19 December 2016, van http://www.livescience.com/57262-hospital-patients-with-female-doctors-have-lower-death-risk.html

Laval, M. (2010). N’écoutez pas votre cerveaux! Comment rester sain dans un monde malade. Parijs, Frankrijk : InterEditions-Dunod.

Tronto, J.C. (1993). Moral Boundaries: A political argument for an ethic of care. Psychology Press.

Tsugawa, Y.; Jena, A.B.; Figueroa, J.F.; Orav, J.E.; Blumenthal, D.M. & Jha, A.K. Comparison of hospital mortality and readmission rates for Medicare patients treated by male vs female physicians. [online gepubliceerd op 19 December, 2016]. JAMA Intern Med. Doi: 10.1001/jamainternmed.2016.7875

Ruddick, S. (1980). Maternal Thinking. Feminist Studies, 6(2), 342-367.

Advertisements