Welkom bij Throwback Thursday, waarbij we op donderdagen telkens terugblikken naar oudere teksten die een nieuwe kijk verdienen.

Dit keer publiceren we een tekst van 2014 over de voortdurende opmerkingen rond feminisme en ontharing, beha’s dragen enzovoort. Journalisten blijven erop hameren en heel vaak voelen wij zelf ook die drang om ons te verontschuldigen zelfs zonder dat de vraag expliciet gesteld wordt. De kop van een recent artikel op De Redactie (30/05/2016) was: “Ja, ik scheer mijn oksels en ik draag bh’s”. Het artikel ging over grensoverschrijdend seksueel gedrag, de titel is dus nogal misplaatst. Wat zit er achter deze regelmatig terugkerende uitspraken?

Angst voor haar en tuinbroeken: solidariteit en competitie tussen feministes

Evie Embrechts, Ida Dequeecker, Nina Nijsten

holding hands

Feministes lijken vaak schrik te hebben van zichzelf en vooral van andere feministes. Waarom? Is dat een patriarchaal overblijfsel dat we nog niet hebben kunnen uitroeien, de drang om respectabel over te komen meer dan solidariteit of sisterhood te tonen?

Want het zit overal. Allerlei organisaties en individuen spreken zich voortdurend uit tegen bepaalde feministes, namelijk die feministes die tuinbroeken dragen, harig zijn, lesbisch zijn…

Je zou je kunnen afvragen wat daar mis mee is. Niks. Mogen vrouwen niet lesbisch zijn? Moeten vrouwen per se voldoen aan een of ander van buiten af opgelegd schoonheidsideaal? Wel, waarom dan die distantiëring, dat gebrek aan zelfs maar een minimum aan respect binnenin de beweging zelf?

Meestal lijkt de achterliggende reden een drang naar respectabiliteit te zijn, een smekende vraag aan de maatschappij: respecteer ons! Wij zijn niet zoals die andere, slechte feministes. Betty Friedan, toen ze voorzitster was van de NOW (National Organization for Women), had het al over het lesbische gevaar, de lavender menace. Dat was niet aanvaard genoeg en dus een bedreiging voor de beweging. Maar helaas zie je dit fenomeen ook in België.

Wat te denken van een interview in De Standaard, februari 2013, waar een feministe zegt:

“Dezelfde foute ideeën en beelden over het feminisme worden steeds maar herhaald en kritiekloos herkauwd. Men stelt ons voor als zeurderige, klagerige, tuinbroekdragende, antiseksuele vrouwen die op de barricades springen en die tegen mannen zijn.”

of een documentairemaakster:

“Ik breng mezelf liever niet in een vakje onder. Zeker niet wanneer feminisme gelinkt wordt aan “wildkrijsende wijven die zwaaien met hun beha”

Of de aankondiging van een feministische blog:

“In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, zitten we daar alles behalve met clichématig zure gezichten in tuinbroeken. Hoewel mensen met een zuur gezicht en een tuinbroek óók welkom zijn”

Of een krantenartikel (Het Nieuwsblad, augustus 2014):

“Er bestaat niet maar één vorm van feminisme,
we zijn niet zomaar allemaal manwijven met een hekel aan mannen.”

Na een tijdje begin je te denken dat het de feministen zelf zijn, die de grootste verspreiders zijn van deze clichés; doordat ze er zich tegen verdedigen gaan ze er ook in mee. Ze geven deze opmerkingen ook zonder dat de vraag door journalisten e.d. expliciet gesteld wordt.

Deze reacties, hoewel goedbedoeld, hebben gemeen dat ze proberen respect te krijgen van de mainstream door zich te distantiëren van bepaalde soorten feministes. Is dat wel een goede strategie? Met al dat afzetten tegen je eigen zusters, lijkt het toch niet alsof feminisme daarmee aan respectabiliteit wint. We moeten natuurlijk ook de vraag stellen, of het dat is wat we willen: respect. Ten koste van het afzwakken van onze eisen? Ten koste van het opgeven van een deel van de beweging? Ten koste van het altijd deemoedig en netjes moeten zijn, zoals vrouwen altijd moeten zijn, in plaats van strijdvaardig? “Feminism is a revolution, not a public relations movement,” zoals Gloria Steinem al schreef, in tegenstelling tot prof Veerle Draulans die stelt dat feministen een imagoprobleem hebben, nl. dat van de agressieve, gefrustreerde vrouwen, en bh verbrandende Dolle Mina’s (Nieuwsblad augustus 2014).

De eerlijkheid gebied dat het omgekeerd ook gebeurt. Sommige feministen nemen bijvoorbeeld Beyoncé op de korrel omdat ze een contradictie zien tussen haar sexy stijl en haar feministische belijdenis.

Maar waarom zouden wij feministen in één of andere zin moeten meegaan in een normenstelsel, dat tegen ons werkt? Want het is nu net dat normenstelsel dat de bestaande machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen in stand houdt.

Gendernormering

Vandaag ziet men “manwijven” in de Dolle Mina’s. In de échte tijd van de Dolle Mina’s kregen we dan weer het verwijt dat die jonge behaloze vrouwen in mini-jurk te mooi waren om écht feminist te zijn.

In het collectief geheugen is feminisme verbonden geraakt met het scheldwoord “manwijf”, niet omdat feministen manwijven waren maar omdat ze buiten de lijntjes kleurden en de bestaande machtsverhoudingen in vraag stelden.

Vandaag ziet men “manwijven” in de Dolle Mina’s. In de échte tijd van de Dolle Mina’s kregen we dan weer het verwijt dat die jonge behaloze vrouwen in mini-jurk te mooi waren om écht feminist te zijn. Geen van beide kwalificaties heeft ook maar iets te maken met de werkelijkheid.

Het hatelijke “manwijf” en de hersenloze “sexy lady” zijn de twee cliché-zijden van éénzelfde scheldmedaille, namelijk het schoonheidsideaal en de schoonheidsnorm, en wat er allemaal aan fantasmen en sociale dwang mee samenhangt die voortvloeit uit de sociale gendernormering en die bepaalt hoe een vrouw er moet uitzien en hoe ze zich moet gedragen. Vooral niet zoals ze zelf gekozen heeft dus. En o wee als het “té” van het éne of het andere is!

Een vrouw mag er vooral niet als een man uitzien of agressief zijn (want niet “vrouwelijk”) en zeker niet “gefrustreerd” (want dat is een blijk van ontevredenheid) terwijl er zoveel redenen zijn om gefrustreerd te zijn (leve “Les Frustrées” van Claire Brétecher), maar ze kan er best ook niet uitzien “als een del” (want dan verdient ze geen respect en wordt ze loslopend wild – nog zo’n cliché).

Wat zit erachter?

Een probleem dat feministes – en bij uitbreiding alle vrouwen – hebben is dat wij niet actief zijn in een neutrale wereld. De machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen, die door de gendernormering in stand wordt gehouden, zorgt voor heel wat problemen. Eén daarvan is dat vrouwen bewust of onbewust schrik hebben om als mannenhaatster weggezet te worden.

Het probleem bij toestemming rond seksueel contact en geweld is analoog: heel wat campagnes zijn erop gericht om vrouwen duidelijker “nee” te laten zeggen, wat het probleem weer eens bij de zwakste groep plaatst. Vrouwen blijken dat niet altijd te durven zeggen, omdat ze proberen erger te voorkomen.

Ook als het om gewoon woorden gaat: gezien mannen het grootste deel van de rijkdom bezitten en de toegang bewaken tot allerlei voorzieningen, is het duidelijk feminist zijn een grote belemmering voor overleven. Als je te eerlijk bent krijg je misschien geen job, geen boekencontract, geen …

Solidariteit tussen feministes

Zo laten we ons meevoeren in een logica van reëel bestaande “goeie” en “slechte” feministen, want we willen zo graag bij de goeie horen.

Wat is nu precies storend aan uitspraken zoals “mensen met een zuur gezicht en een tuinbroek zijn ook welkom”? Die uitspraak is wellicht goedbedoeld en op het eerste gezicht getuigt ze van solidariteit en een wil tot inclusie. Het probleem is dat het “zuur gezicht” en de “tuinbroek” abstracte scheldwoorden zijn, gericht tegen alle kritische feministen. Immers die zure feministen in tuinbroek bestaan niet concreet, noch als persoon, noch als groep. Idem dito voor de manwijven. Je kan er niet solidair mee zijn. En probeer je dat toch te doen, stap je mee in een gewild negatieve beeldvorming, die als absolute bedoeling heeft het kritische feminisme te ondergraven.

Erger is het gesteld met een uitspraak zoals “er bestaat niet maar één vorm van feminisme en we zijn niet zomaar allemaal manwijven met een hekel aan mannen”. Met die uitspraak wordt, alweer onbedoeld, de imaginaire met scheldwoorden omschreven groep verheven tot een concreet bestaande stroming in het feminisme, hoewel we pertinent weten dat die stroming gewoon niet bestaat. Woorden hebben een kracht en zich distantiëren van een imaginair beeld creëert de idee dat dat beeld toch werkelijkheidswaarde heeft . En zo laten we ons meevoeren in een logica van reëel bestaande “goeie” en “slechte” feministen, want we willen zo graag bij de goeie horen en in het beste geval de slechte er wel goedmoedig bij nemen.

Daarmee belanden we in de heersende ideologie, die ongelijkheid natuurlijk vindt en competitie de énige uitweg en waarin wij opgevoed worden. We leren dat het loont: de beste zijn, winnen, de anderen in het stof doen bijten en hen daarna misschien de hand reiken als de minderwaardige losers. Het verpest menselijke relaties grondig, ook die tussen feministes. En uiteindelijk doet het geen goed aan het feminisme als alternatieve maatschappijvisie, waarin verschillende ideeënstromingen een plaats hebben. We zeggen wel ideeënstromingen …

Besluit

Er groeit schimmel op die saaie aanvallen over hoe harig of oncool we zijn of dat er wat schort aan ons imago. Wij hebben iets nuttiger te doen dan altijd maar weer in het defensief te gaan. Die discussies vertragen ons en zorgen voor minder ruimte en tijd voor het nadenken over échte oplossingen en werkmethoden.

Als mensen je nog eens aanvallen over feminisme, reageer dan best anders. Ga niet mee in de logica van de domme cliché’s, noch die van het type “manwijf” noch die van het type “mag een feminist sexy zijn”, want zo bevestig je in feite de onderdrukkende genderaannames die er achter zitten. Wijs op de oppervlakkigheid van hun aanval en vraag hen wat ze bedoelen met soepjurk en manwijf en of een bh heilig is en harigheid des duivels en ga vervolgens over tot de orde van de dag en vraag ze of ze dan voor ongelijkheid zijn, voor de onderdrukking van vrouwen, voor geweld en armoede. Op zijn minst kan je zelf dan wat meer plezier aan het gesprek hebben🙂

dimassa
(c) Diane DiMassa, gebruikt met toestemming