door Brenda Dekker

Excursiepaper voor de Master gender & diversiteit

Inleiding

Voor deze paper ben ik naar het evenement ‘Het Grote Prostitutiedebat’ gegaan. Dit debat maakte deel uit van het ‘Festival van de Gelijkheid’ en het vond plaats in de Vooruit in Gent op 11 december 2015. De opzet van deze paper is allereerst om een ruime beschrijving te geven van het debat: de panelleden en hun standpunten, de stellingen die werden bediscussieerd en de argumenten die werden gebruikt. Vervolgens zal ik een kritische intersectionele analyse van dit evenement uiteen zetten. Hierbij zal ik gebruik maken van teksten van Longman & De Graeve, Lorde, Vidal, Marchbank & Letherby en Crenshaw.

Beschrijving van het debat

De deelnemers van het prostitutiedebat waren als volgt: Vanessa, wiens achternaam niet werd meegedeeld, een uitbaatster van een massagesalon [een pooier, noot van de redactie]; Martine Claeyssens, lid van hulporganisatie Pasop: een vzw voor prostituees; Magda De Meyer, voorzitter van De Vrouwenraad; Evie Embrechts, activiste en lid van feministische groep FEL (feministisch en links); Mieke Mievis, een seksuologe en relatietherapeut [en tevens pooier, noot van de redactie]; Stef Adriaenssens, een economisch socioloog verbonden aan de KULeuven en Liesbet Stevens, rechtsgeleerde en expert in seksueel strafrecht (tevens KULeuven). Het debat werd gemodereerd door Inga Verhaert, voorzitster van zij-kant, het vrouwennetwerk van S.pa. Er werd meegedeeld dat er aan verschillende mannen die (regelmatig) klant waren van prostituees was gevraagd om deel te nemen, maar geen van hen was geïnteresseerd. Tussendoor werden ook korte filmfragmenten getoond van Joyce en Coco, twee prostituees die werden geïnterviewd. Coco bleek daarnaast ook fysiek aanwezig te zijn in de zaal. Doorheen de beschrijving van het debat zal ik iedere persoon die aan het woord kwam met diens voornaam aanduiden.

De eerste stelling waar over werd gedebatteerd was de vraag of prostitutie een beroep ‘als een ander’ is. Zowel Joyce en Coco als Vanessa en Martine waren van mening dat prostituee zijn geen beroep is als een ander omdat het niet erkend wordt als echt beroep en omdat het absoluut niet gemakkelijk is om te doen. Zij benadrukten wel dat veel vrouwen het vrijwillig doen en Vanessa stelde dat de cijfers over het geweld waar prostituees mee te maken krijgen worden overdreven. Magda en Evie waren het hier absoluut niet mee eens. Zij vertelden dat veel prostituees heel weinig geld verdienen omdat zij gedwongen worden om het af te geven aan hun ‘pooier’. Ze lopen een erg groot risico wat betreft fysiek en seksueel geweld en veel vrouwen gaan eerder onvrijwillig als prostituee aan de slag. Evie vergeleek dit met andere beroepen die veel minder gevaarlijk zijn, zoals bakker, waarbij het absurd zou lijken om een noodknop voor agressieve klanten te hebben. Toen er werd beargumenteerd dat bijvoorbeeld ook militairen een zeer hoog risico op overlijden hebben, opperde zij voor een afschaffing van het leger. Zowel Evie als Magda leken sterk te vertrekken vanuit een principiële houding. In een in hun ogen goede en rechtvaardige wereld komt prostitutie niet voor en zeker niet onder de vormen die het in de huidige samenleving aanneemt.

Vervolgens werd er ingegaan op de vraag of er nu eigenlijk wel veel prostituees bestaan die het voor hun plezier doen. Het voorbeeld van Goedele Liekens werd aangehaald, die stelt dat prostitutie in de meeste gevallen eerder betaalde verkrachting is omdat de grote meerderheid van prostituees niet zelf voor prostitutie heeft gekozen. Stef benadrukte dat door invloed van de media er twee types van prostituees worden geportretteerd: de uitgebuite vrouw en de ‘happy hooker’. Hierdoor is er geen aandacht is voor de grijze zone tussen deze twee waarin veel prostituees zich volgens hem zouden bevinden. Er werd vervolgens wat gediscussieerd over het verband tussen verkrachting en prostitutie. Hier uit bleek vooral dat er veel verwarring was over wat nu precies verkrachting is, wat daar onder wordt verstaan en hoe veel het nu effectief voorkomt. Het grote verschil met feministische panelleden Magda en Evie is vooral dat zowel Vanessa, Martine als Mieke financiële nood niet als vorm van dwang zien. Ook was er in mijn ogen bij deze drie personen weinig bewustzijn omtrent maatschappelijke structuren die vrouwen hun agency ontnemen wat betreft de keuze voor prostitutie. Hoewel Stef zich vooral als academicus wilde opstellen, benadrukte hij dat hoe armer een samenleving is en hoe meer genderongelijkheid er is, hoe groter de kans bestaat op een grote aanwezigheid van prostitutie.

Het laatste onderwerp was de (gevolgen van) legalisering van prostitutie. Hierbij werd er een vergelijking gemaakt tussen het Nederlandse en het Zweedse model. Bij het Nederlandse model is prostitutie gelegaliseerd, bij het Zweedse model is het kopen van seks gecriminaliseerd. Evie en Magda kantten zich sterk tegen het Nederlandse model en spraken zich uit in voordeel van het Zweedse. Zij stelden dat er in Nederland meer mensenhandel is dan in Zweden. In dit laatste land zien veel mensen prostitutie als geweld tegen vrouwen. Magda besprak de mentaliteitswijziging die zich in Zweden heeft voorgedaan sinds de invoering van deze wet aan het einde van de jaren ’90. Vooral jonge mensen onderschrijven de hier aangehaalde visie op sekswerk. Vanessa en Mieke zagen juist eerder het Nieuw-Zeelandse model als het meest ideale. Mieke stelde dat in tegenstelling tot Nederland en Zweden, waar er ‘top down’ wordt gewerkt, het Nieuw-Zeelandse model een ‘bottom up’-werkwijze heeft. Prostitutie is er legaal, maar iemand er toe dwingen is illegaal. Ook Vanessa gelooft in dit model en zij benadrukte dat zij geen dwang aanvaardt en indien werkgevers dit wel doen, zij in haar ogen streng bestraft moeten worden. Coco, Joyce en Martine uitten zich voor legalisering in België omdat zij voordelen zien in als volwaardige werknemers behandeld te worden. Liesbet en Stef stelden dat het criminaliseren van prostitutie inderdaad er voor zorgt dat het ondergrond zal gaan. Wat er echter bij opgemerkt moet worden is dat zo lang een beleid als het Zweedse ook sterk gehandhaafd wordt, het volume wel degelijk zal verminderen. Stef gaf hierbij het voorbeeld van Thailand, waar sekswerk illegaal is, maar er op politiek niveau zo goed als niets gedaan wordt om dit effectief te bestraffen.

Als laatste onderdeel kwamen kort nog een aantal prostituees aan het woord, evenals iemand die een relatie had gehad met een man die prostituees bezocht. Bijna alle prostituees en pooiers lieten zich positief uit over prostitutie of bespraken het als een onvermijdelijk iets dat nooit uit de samenleving zal verdwijnen. Liesbet sloot het debat af door te benadrukken dat er een mentaliteitswijziging nodig is omtrent prostitutie. Het stigma moet verdwijnen en er moet nagedacht worden over wat toestemming betekent en waar men de leeftijdsgrens trekt voor prostitutie omdat achttien jaar een erg jonge leeftijd lijkt te zijn in de seksuele ontwikkeling.

Intersectionele analyse

In dit debat was er in mijn ogen vaak een gebrek aan een intersectionele aanpak bij veel panelleden en dit viel vooral op bij Vanessa, Martine en Mieke. Zoals Longman en De Graeve (2014) aangeven, heeft men in een intersectionele benadering aandacht voor meer dan enkel de categorieën ‘man’ en ‘vrouw’. Er werd door de meeste leden voornamelijk over vrouwen gesproken, wat begrijpelijk is omdat de meeste prostituees vrouwen zijn. Toch kwamen de klanten van prostituees, die meestal mannen zijn, weinig aan bod. Enkel in het bespreken van de Zweedse aanpak was dit het geval. Daarnaast was er weinig aandacht voor andere intersecties die uitmaken of een persoon of groep eerder geprivilegieerd of onderdrukt is. De verschillende vormen van diversiteit bestaan nooit apart van elkaar, leggen Longman en De Graeve (2014) ons uit, maar in het debat spraken de meeste panelleden nauwelijks over klasse of etniciteit. Wanneer dit toch ter sprake kwam, was er nog altijd geen focus op hoe deze intersecties allemaal met elkaar in verband kunnen liggen.

Een belangrijk punt is ook het verschil tussen de prostituees die deelnamen of in de zaal aanwezig waren en de (hoogstwaarschijnlijk) grote groep prostituees zonder stem. Coco, een van de twee prostituees die het meest aan het woord kwamen, is een vrouw van kleur, maar zij gaf zelf aan goed betaald te worden. Dit is bij veel sekswerkers echter niet het geval, zo benadrukten Magda en Evie. Liesbet zei ook dat Coco tot een vocale minderheid behoort. Lorde (1984) haalt het specifieke voorbeeld van prostitutie aan in haar tekst waar zij benadrukt dat jonge, witte, rijke, heteroseksuele feministen niet inzien wat het verschil is tussen als vrouw onderdrukt zijn in de vorm van een slaaf zijn door het huwelijk tegenover wat het inhoudt om prostituee te zijn. “[…] because it is our daughters who line 42nd street.” Ze stelt dat de machtigere witte feministen verblind zijn door hun privilege: zij hebben nog de ondersteuning van hun man en het huis waar ze in leven. Voor vrouwen die tot onderdrukte groepen behoren; de vrouwen van kleur, de arme vrouwen en oude vrouwen, is het echter een kwestie van overleven.

Bij dit debat leken de onderdrukte groepen die Lorde (1984) aanhaalt naar de achtergrond te worden verdrukt om het beeld van de vrije, onafhankelijke en goed functionerende prostituee in stand te houden. Vanuit de visie van Vidal (2014) lijkt deze situatie nog negatiever te zijn dan men in eerste instantie zou denken. Zij stelt immers dat wanneer men de stemmen van onderdrukte vrouwen niet laat horen, het feminisme gedoemd is om te mislukken. “Our voices need amplifying because white feminism tokenises us and usurps our voices.” (Vidal, 2014) De feministen die in het debat aanwezig waren, zijn witte vrouwen die voor al deze groepen trachtten te spreken. Hoe goed hun bedoelingen ook zijn, er was een grote leegte omwille van de afwezigheid van zowel arme sekswerkers als feministen van niet-West-Europese afkomst.

Zoals ik reeds heb opgemerkt, was er bij een aantal panelleden weinig blijk van inzicht in onderdrukkende structuren en hun rol in de huidige status van prostitutie. Het systeem van het patriarchaat kwam bijvoorbeeld zeer weinig (expliciet) aan bod in het debat. Volgens de definitie van Walby (Marchbank & Letherby, 2014) is het patriarchaat een systeem van sociale structuren en praktijken waarin mannen vrouwen domineren, onderdrukken en uitbuiten. Ze onderscheidt in haar definitie van het patriarchaat zes gedeeltes. Ten eerste is er de uitbuiting van de vrouwen(arbeid) door hun echtgenoten, ten tweede zijn er de genderverhoudingen met betrekking tot betaalde arbeid, ten derde de rol van mannelijk geweld, ten vierde patriarchale verhoudingen binnen de staat, ten vijfde patriarchale verhoudingen met betrekking tot seksualiteit en ten zesde de patriarchale verhoudingen met betrekking tot cultuur en culturele instellingen.

Wat prostitutie en het hier besproken debat betreft, zijn volgens mij vooral deel twee, drie en vier van belang. Bij prostitutie zijn het vaak mannen die de vruchten plukken van het sekswerk omdat zij meestal degenen zijn die de macht hebben over vrouwelijke prostituees, zij zijn hun pooiers. De ‘pooiers’ die deelnamen aan het debat waren enkel vrouwen. Een aantal van hen deed zelf aan sekswerk in het heden of verleden. Tegenover de vrouwen die nu onder hen stonden, leken zij een sterk paternalistische houding aan te nemen. Een van hen zei bijvoorbeeld dat ‘haar’ prostituees zelf niet slim genoeg waren om hun eigen zaken te regelen. Naast deze benadeelde toestand waarin prostituees een gebrek aan macht en agency hebben, lopen zij een hoog risico op fysiek en seksueel geweld. Door het stigma dat er kleeft aan sekswerk wordt hun seksuele uitbuiting in de maatschappelijke visie niet als verkrachting beschouwd. Sekswerkers worden integendeel juist gezien als mensen die verkrachting van andere vrouwen kunnen tegenhouden omdat ze tegemoet komen aan mannelijke noden. Deze maatschappelijke visie ziet mannelijke seksualiteit ook als een onbedwingbare nood. Er wordt vaak gedacht in termen van ‘entitlement’ omtrent mannelijke seksualiteit: mannen hebben recht op seks en zullen dit hoe dan ook afdwingen. Ook binnen het wettelijk kader wordt er weinig gedaan om dit te ondermijnen. Magda, Evie en Liesbet benadrukten dat de Belgische staat op indirecte wijze geld verdient aan prostitutie. Tegelijkertijd is er door de status van illegaliteit geen verantwoordelijkheid bij de overheid en staan sekswerkers vaak in de kou. Ook zijn er weinig uitstapmogelijkheden, zoals het geval is in bijvoorbeeld Zweden.

Ook wat dit aspect betreft, zijn etniciteit en afkomst van belang. Crenshaw (1991) geeft aan in ‘Mapping the Margins: Intersectionality, Identity Politics and Violence against Women of Color’ dat zelfs als er voorzieningen zijn, deze absoluut niet goed toegankelijk voor prostituees van buitenlandse afkomst. Deze vrouwen kunnen vaak de taal niet spreken waardoor zij minder makkelijk hun weg naar hulp vinden en wanneer het toch gebeurt, zijn er grote communicatieproblemen. Zoals in het debat (kort) werd aangegeven zijn veel prostituees in België ook van niet-West-Europese afkomst en is hun komst hier vaak het gevolg van valse beloftes en mensenhandel. Door deze positie zijn veel prostituees dus niet zelfredzaam en kunnen zij heel moeilijk uit de prostitutie stappen indien zij dit zouden wensen.

Conclusie

Zowel wat betreft het denken over prostitutie als het uitvoeren van een beleid omtrent sekswerk, lijkt een intersectionele aanpak onmisbaar. Toch blijkt uit dit debat dat de mensen die het dichtst bij de prostitutiebranche zelf staan het minst bewust zijn van machtsstructuren, privilege en onderdrukking. Ook de vijandigheid die er heerste tussen de feministische panelleden en de sekswerkers is een jammerlijk en kwalijk gegeven. Zo lang men elkaar niet genoeg begrijpt, lijkt Vidals (2014) doembeeld dichterbij dan ooit.

Bibliografie

  • Crenshaw, K. (1991, juli). Mapping the Margins: Intersectionality, Identity Politics and Violence against Women of Color. Stanford Law Review, 43(1), 1241-1265.
  • Longman, C., & De Graeve, K. (2014). From happy to critical diversity: intersectionality as a paradigm for gender and diversity research. DIGEST, 1(1), 33–39.
  • Lorde, A. (1984). The Master’s Tools Will Never Dismantle the Master’s House. Sister Outsider: Essays and Speeches. Berkeley, Verenigde Staten van Amerika: Crossing Press.
  • Marchbank, J., & Letherby, G. (2014). Introduction to Gender : Social Science Perspectives (2e ed.). Londen, Verenigd Koninkrijk: Taylor & Francis Ltd.
  • Vidal, A. (2014, 15 januari). ‘Intersectional feminism’. What the hell is it? (And why you should care). Geraadpleegd op 17 december 2015 [http://www.telegraph.co.uk/women/womens-life/10572435/Intersectional-feminism.-What-the-hell-is-it-And-why-you-should-care.html]