En dan ben je een meisje van 14, heb je duizenden kilometers gelopen, gevaren, gereden en kom je aan bij de laatste halte voor je einddoel: Calais. The Jungle, een verzameling van afgedankte tenten, paletten, lucht verzadigd van de rook van vuurtjes die alles opstoken wat ze kunnen vinden wat brandbaar is, waar je angstig rondloopt in een smeltkroes van culturen, opeengepakt op de laatste plaats waar je zou willen zijn. Elke avond opnieuw de tocht naar de ingang van de tunnel naar het beloofde land. Bij nacht en ontij uren lopend, sluipend, kruipend, je handen openhalend aan scherpe prikkeldraad om eindelijk bij de sporen te komen.

Je kans af te wachten, ineengedoken en opschrikken van elke voetstap, het geblaf van een hond, het heen en weer gaande licht van een zaklamp. En dan is daar plots je kans, de trein komt aangereden en alles lijkt rustig. Je haalt nog eens diep adem, strekt je en begint de finale sprint naar een nieuw leven. En net als je denkt dat je het gaat redden voel je plots de brandende straal pepperspray in jouw gezicht, zie je nog even het gelaat van de politieman en dan niks meer, verblind. En het plotse besef, net voordat de trein je wegmaait, dat je op de sporen staat. Dat was iemands dochter, het zusje van een broertje, het favoriete nichtje van een tante, het geheime eerste liefje van een schooljongen… Dit is een jong leven dat gebroken is door de haat en onverschilligheid van mensen waar ze vandaan kwam en van mensen waar ze heen vluchtte. Dit is nu, dit zijn wij.

Ter nagedachtenis van het meisje in Calais, gastbijdrage door Sven van Hecke.