Het ‘refugee protest’ in Berlijn is nu al meer dan twee jaar aan de gang. De beweging werd oorspronkelijk gestart door enkele Iranese vluchtelingen/activisten. Nadat de Iranezen een hongerstaking aan de Brandenburger Tor gehouden hadden die op niets was uitgedraaid, verdwenen ze van het toneel. Vanaf dan was het een komen en gaan van vooral Afrikaanse en Arabische vluchtelingen, waarvan sommigen politieke activisten waren, maar anderen ook gewoon gestrande daklozen die op zoek waren naar eten en onderdak. De refugee protest-beweging in Berlijn werd concreet met de bezetting van Oranienplatz (‘O’platz’) in Kreuzberg. Er werd een tentenkamp opgezet met slaaptenten, een keukentent, een tent voor vergaderingen en een infopoint. De vluchtelingen en activisten streden voor een deportatiestop (meer dan 95% van de vluchtelingen die asiel aanvragen worden gedeporteerd!) en voor de afschaffing van de ‘residentieplicht’ die asielzoekers verplicht binnen de dertig kilometer van hun asielcentrum te blijven, waardoor ze totaal geïsoleerd raken van de samenleving en hun familie/vrienden in andere delen van het land.

Doordat een vriend van me, E., in het tentenkamp woonde en een andere vriend, G., daar vaak ging koken, raakte ik ook betrokken in het ‘refugee protest’ en begon mee te helpen. Ik kookte, poetste, bouwde tenten op, deed shifts aan het infopoint en bewaakte ’s nachts met een walkie talkie het tentenkamp. Na een paar maanden werd behalve de O’platz, ook de leegstaande school in de Reichenberger-/Ohlauerstr. in Kreuzberg bezet, wat een grote overwinning was voor de beweging, omdat die nu kort voor de winter ook een groot gebouw met een minimum aan sanitair, centrale verwarming en veel plaats om mensen onder te brengen in handen had. Het onverhoopte succes liep echter snel uit de hand. De groep getraumatiseerde en gefrustreerde vluchtelingen raakte verdeeld, er ontstond veel racisme, seksisme, homo-/transfobie, drugmisbruik en geweld. Het werd zo erg dat er een vrouwelijke vluchtelinge verkracht werd en een mannelijke vluchteling doodgestoken in de toiletten van de school. Dat was het begin van het einde. Nog voordat de bom barstte, was ik al van het toneel verdwenen. Ook ik kon de agressieve, seksistische sfeer in O’platz en de school niet langer harden…

Op een dag kreeg ik een telefoontje van L., een Australische vriendin die ik in O’platz had leren kennen. Ze vertelde me over P., een Kameroense vluchtelinge, die ze had leren kennen in de Duitse les georganiseerd door de KuB, een organisatie die zich inzet voor vluchtelingen. S. vroeg of er in het huisproject in Friedrichshainwaar ik op dat moment verbleef, een ‘soli-kamer’ vrij was voor P. Ik antwoordde dat de soli-kamer in het huisproject al bezet was, maar dat P. gerust een paar dagen kon blijven logeren. Ik ging naar de bezette school om er S. en P. te ontmoeten, het gebouw was ondertussen al opgedeeld in een vrouwen/kinderen- versus mannenbereik omdat de vrouwen vanwege het harde seksisme besloten hadden zichzelf te organiseren.

P. bleek een kleine, schuchtere, jonge, Afrikaanse vrouw met grote ogen. Ze sprak Frans en vertelde dat haar moeder met het geld van haar kruidenierswinkeltje een vliegtuigticket voor haar bijeen had gespaard. Met het ticket was ze naar Italië gereisd, waar ze toen nog gemakkelijk aan een werkvergunning kon geraken (wat nu niet meer het geval is). Ze vond er een (super slecht betaalde) job als schoonmaakster, maar werd door haar chef seksueel geïntimideerd en werd, toen ze niet inging op zijn avances, ontslagen. Vervolgens vond P. geen werk meer omdat ondertussen de crisis was uitgebroken en er voor niemand, ook niet voor de Italianen, nog jobs waren. P. is dan met een toeristenvisum naar Duitsland vertrokken, waar ze bij een vage bekende drie weken lang kon blijven logeren, maar nadien stond ze op straat. Via S., die ze via de Duitse les in de KuB had leren kennen, kwam ze in de bezette school terecht…

Ik nam P. mee naar het huisproject, maar de bewoners wilden niet dat ze langer dan een paar dagen zou blijven. Ze vonden dat er niet genoeg plaats was om nog meer mensen onder te brengen. Ik wilde P. echter niet terug naar de bezette school sturen (en eventueel een tweede verkrachting op mijn geweten hebben!) dus liet ik haar in mijn kamer logeren. P. was in het begin heel angstig en depressief vanwege haar beroerde situatie en bleef vaak dagen aan een stuk in bed liggen om te slapen of te chatten met familie en vrienden in Kameroen. Na drie maanden begon het me stilaan de keel uit te hangen dat ik geen privacy meer had, vooral aangezien P. de kamer zelden of nooit verliet. Ik was dan ook laaiend enthousiast toen J., een vriendin en bewoonster, voorstelde dat P. bij haar in de kamer zou komen. J. was namelijk van plan te gaan reizen, zou amper thuis zijn en dan konden P. en zij de kamer delen. Ik verheugde me al op een kamer voor mij alleen en besloot P.’s spullen alvast in de gang te zetten zodat we ze sneller naar boven, in J.’s kamer, zouden kunnen verhuizen. Toen P. thuiskwam, was ik net in de keuken. Ze zag haar spullen in de gang staan en dacht dat ik haar buiten smeet. Ze liep in paniek naar J. en vertelde haar huilend dat ik haar op straat wilde zetten. J. stelde P. gerust en vertelde haar dat ze vanaf nu bij haar in de kamer zou wonen…

refugees