Dit is een anonieme getuigenis. De bijdrage komt met een trigger warning (zie dit stuk) voor seksueel geweld.

Op een dag in 2010 werd ik volwassen. Ik was zeventien jaar oud, maar van de ene dag op de andere was ik totaal vervreemd van mijn puberale klasgenoten. En die dag bracht me meer levenservaring dan de doorsnee dertiger. Of ten minste, dat mag ik hopen. Het was alsof ik de eerste zeventien jaren van mijn leven had doorgebracht in een droomwereld, waar je vergissingen mag maken die geen al te grote impact hebben, waar je familie en vrienden veilig zijn, waar je veilig bent. Waar echte pijn niet bestaat. Waar je naar het nieuws kunt kijken zonder goed te begrijpen hoe het voelt om doodsangsten uit te staan, om te vechten voor je leven. Waar je in de media kennis kunt nemen van criminele feiten en kunt zeggen: ‘gelukkig gebeurt dat bij ons niet’, ‘gelukkig overkomt mij dat niet’, ‘ik ken niemand die zoiets zou kunnen doen’, ‘onvoorstelbaar’ of ‘had ze/hij maar … gedaan, dan was het niet gebeurd’. Waar je naar films en politieseries kunt kijken en kunt zeggen: ‘het is maar een film’. Waar je intussen kunt denken: ‘dit gebeurt niet echt’ of op zijn minst ‘de kans is miniem/onbestaande dat dit me/mijn familie ooit overkomt’.

Op school en thuis leer je zaken die ervoor zorgen dat je een beeld krijgt van de realiteit, of dat nu klopt of niet. Jammer genoeg is het beeld dat gevormd wordt tijdens de (vroege) jeugdjaren vaak ook het dominante beeld tijdens de verdere levensloop. Het is hetzelfde systeem als bij vooroordelen. Eens je ze hebt, is het moeilijk ze weg te denken.

Zo ook bij seksueel misbruik. Door de vele hints en tips en (subtiele) info die we kregen rond dat thema, kreeg ik er een beeld van. Zo is er één zinnetje dat alle kinderen tot vervelens toe te horen krijgen. ‘Ga nooit mee met een vreemde (op straat).’ Dit had twee effecten, die ik hieronder toelicht.

Vooreerst creëert dat simpele zinnetje de idee dat het meeste misbruik gebeurd door een vreemde, en wel op straat (of in een andere publieke ruimte). Het zinnetje ging immers gepaard met veel tips: hard roepen, slaan, schoppen en wegrennen. Niets is minder waar. Het meeste misbruik gebeurd door een bekende van het slachtoffer, en meestal niet op straat maar in huis.

Bovendien gaan kinderen denken dat je wel heel stom moet zijn om niet meteen te roepen, schoppen, slaan en rennen als iemand (een vreemde) je lastigvalt. Dat je er eigenlijk om gevraagd hebt als je toch meeging met iemand die je niet (zo goed) kende. En dat je dus over de controle beschikt om al dan niet misbruikt te worden. Zo simpel is het echter niet. Een verhaal is in de realiteit nooit zwart-wit, en wat het slachtoffer ook gedaan of gezegd heeft, het is nooit zijn/haar schuld maar wel die van de dader.

Deze misvattingen hebben ervoor gezorgd dat ik (destijds) het beeld had van een verkrachter als van een vuile, dikke, ietwat oudere man die maar wat rondgraait op straat en je in de bosjes of in een steegje trekt. Alleen leerde de ervaring mij dat verkrachters (en andere misbruikers) niet herkenbaar zijn.

Hij was een twintiger, had een job, was niet vuil en trok geen meisjes in vieze steegjes of bosjes. Wel in zijn bed. In Brussel. Ik heb amper gevochten, want hij lag bovenop me, en zijn gewicht, conditie en kracht was veel groter dan de mijne. Ik heb niet veel geroepen, want het deed zoveel pijn dat ik geen geluid uit mijn keel kreeg. Bovendien was ik daar te bang voor.

Ik dacht dat ik zou sterven. Het deed zoveel pijn dat ik wenste dat hij er een einde aan maakte. Die pijn voel je niet als je je een verkrachting probeert voor te stellen zonder het ooit te hebben meegemaakt.

Ik heb niet vanaf het begin ‘nee’ gezegd. Ik heb ‘nee’ gezegd toen bleek dat het niet goed lukte, want het deed pijn. Toch bleef hij doorgaan. Toen hij mijn tranen zag, zei hij dat ik moest ophouden met huilen.

Tot op de dag van vandaag heb ik geen antwoord op mijn vragen. Waarom het gebeurde, zal ik nooit weten. Wat in hem omging toen hij het deed, zal ik wellicht ook nooit weten. Ik weet niet of ik het wel wil weten. Maar ik vermoed dat hij ook nu nog niet beseft wat hij heeft gedaan.

Ik deed onmiddellijk, diezelfde dag aangifte bij de politie. Er werd een seksuele agressie kit samengesteld door artsen en ik werd heel de nacht verhoord. Een tijdlang hoorde ik niets over de zaak.

Ik ging terug naar school, hetzij met veel moeite. Ik voelde met totaal vervreemd van deze wereld. Het was net alsof er in één dag een onzichtbare muur was gegroeid tussen mij en de rest van de samenleving. Nog nooit voelde ik me zo eenzaam. Mijn wereld was ingestort en mijn leven op pauze gezet. Toen ik naar buiten kwam, ging het leven rondom mij, het leven van de anderen, gewoon door. Ze maakten nog steeds dezelfde grappen, maakten zich nog steeds zorgen over idiote dingen en hadden hetzelfde kinderachtige wereldbeeld als voorheen. Ik ontdekte hoezeer de maatschappij doordrongen is van seks(ualiteit).

Terwijl mijn medeleerlingen zich zorgen maakten over hun punten voor het examen biologie, bad ik dat ik geen positief resultaat zou krijgen op de Hiv-tests. Terwijl zij ’s ochtends moe waren omdat ze te lang hadden gegamed, hoopte ik dat ik eens een nachtje geen nachtmerries zou hebben. Terwijl zij een afterparty op 100-dagen hielden, ging ik naar de therapeut.

Maanden later kreeg ik een brief die me vertelde dat de zaak geseponeerd was. Het liefste wilde ik verdwijnen, omdat ik wilde dat het ophield. Toch bleef ik overeind.

De meeste vrienden en veel familieleden weten niet dat er wat is gebeurd. Ze hebben geen idee. Ik kies bewust de (weinige) mensen uit tegen wie ik het zeg. Eén van hen nam het niet serieus. Dat kwetste. Sommige van hen hebben nooit gereageerd. Dat kwetst nog meer. Als ik de stilte breek, dan is méér stilte het laatste wat ik wil. Natuurlijk is het begrijpelijk. Het is vast heel moeilijk om te bedenken wat je moet antwoorden. Maar een gewoon teken van begrip kan al veel doen. Gewoon zeggen dat je er bent, doet veel.

Jammer genoeg kan ik hier niet voor uitkomen, omdat veel mensen het niet willen horen. Het zijn de mensen die in een discussie elke mogelijkheid ontkennen dat iets dergelijks jouw overkomen is. Laat ik een voorbeeld geven.

Wanneer een discussie plaatsvindt over seksueel misbruik (naar aanleiding van een maatschappelijk debat), dan gaat deze vaak zo:

Eerst betuigen de meesten hun medeleven met de slachtoffers, en geven ze aan de feiten heel ernstig te vinden. Ze vinden het (vanzelfsprekend) moeilijk zich in te beelden wat het moet zijn zoiets mee te maken.

Dan worden problemen in het juridisch systeem aangekaart.

Vervolgens zegt iemand: “tenslotte hebben we het hier toch zo slecht nog niet, in vergelijking met bijvoorbeeld mensen in het Midden-Oosten”. Dat argument doet me al de wenkbrauwen fronsen, omdat je, als je dat doortrekt, helemaal niets meer mag aanklagen.

Tenslotte zegt iemand, vaak totaal onbewust: “tja, wie zijn wij ook om te oordelen? We hebben nooit iets dergelijks meegemaakt.” Dan haak ik af. Dit is beledigend t.a.v. alle slachtoffers, want het impliceert dat onze sociale kring veilig en gesloten is.

Ik realiseer me dat bovenstaande uitspraken niet kwaad bedoeld zijn, en dat de mensen die ze doen zich totaal niet bewust zijn van het feit dat ze wel degelijk in het bijzijn van een slachtoffer zijn. Toch kwetst het. Elke keer.

Net zoals dat het kwetst telkenmale iemand het probleem van seksueel misbruik in onze maatschappij minimaliseert, of zelfs in vraag stelt.

Ik ben geen slachtoffer, maar een overlever. Ik ben een persoon, niet slechts een statistiek. Wat gebeurd is, is echt. Niemand heeft het recht dat in vraag te stellen. Ook niet op grond van een sepot.

Ik ben geen slachtoffer, maar een overlever. Elke dag overleef ik in stilte, sinds die dag in 2010. In stilte, omdat men niet wil weten van ongeluk. In stilte, omdat ik steeds antwoord met ‘goed’ wanneer mensen me vragen hoe het gaat. In stilte, omdat ik mijn wonden verzwijg. Twee jaar later verzwijg ik het nog steeds.

Ik ben geen slachtoffer, maar een overlever. Ik leef niet meer in de droomwereld. Veel mensen wel. Ik heb u nodig; ik kan dit niet alleen. Ik zit vast, omdat ik steeds moet liegen. Liegen over de reden waarom ik moe ben, liegen over de reden waarom ik in shock ben na een flashback, liegen over de reden waarom ik niet graag naar Brussel ga, niet graag de metro neem en verstijf bij het zien van een brandtrap, liegen over de reden waarom ik niet graag uitga, en liegen over de reden waarom ik huil. Ik zit vast, want ik doe alsof ik vrolijk ben om de pijn te verbergen die anderen niet willen zien.

De cijfers van seksueel misbruik liggen hoog, waardoor de kans reëel is dat u minstens één persoon kent die slachtoffer of dader is. Negeer die mogelijkheid niet, en hou er rekening mee in uw interactie met anderen.

Verkrachting zal nooit uit onze maatschappij verdwijnen. Maar het trauma kan wel draaglijker worden als de samenleving van mentaliteit verandert. En dat kan alleen maar als we de stilte doorbreken.

Break the silence, stop the violence.

Blijf er niet mee zitten! Je kan al dan niet anonieme getuigenissen kwijt op deze blog, bij Hollaback Brussel kan je getuigenissen kwijt over lastigvallerij op straat. Er is ook nog het project unbreakable.

Zie ook een overzicht van andere getuigenissen en teksten over geweld.

Advertenties