In deze reeks lezen we het boek De Tweede Sekse van Simone de Beauvoir. Dit is het tweede deel waarin we het hebben over hoofdstuk 1, biologie. Lees gerust mee en post je eigen mening! Zie ook deel 1 over de inleiding.

Biologie

Mensen die de vorige eeuwen even niet opgelet hebben zullen het gemist hebben, maar verder weet iedereen wel dat er een vrij gecompliceerde relatie bestaat tussen feminisme en biologie. Niet omdat feminisme het biologische aspect van onze levens zou weigeren te erkennen, want feministes hebben altijd aandacht besteed aan onze lichamen: gezondheid, zwangerschap, abortus, schoonheidsidealen, sport, seks… Maar wel omdat allerlei vage theorieën over biologie en sekse de ronde doen en vaak misbruikt worden om de ondergeschikte positie van vrouwen te rechtvaardigen. Eerst was er god, nu is er biologie. Bovendien zijn een heleboel vraagstukken rond biologie en lichamen niet opgelost – hoewel ikzelf vind dat dat niet zo nodig is als wel eens gedacht wordt.

De vrouw? O, maar dat is heel eenvoudig zeggen de liefhebbers van eenvoudige definities: de vrouw is een baarmoeder, een ovarium, een vrouwtje… en dat woord is dan voldoende om haar te definiëren.

(…)

Maar wanneer we ophouden met dat denken in gemeenplaatsen rijzen er ogenblikkelijk twee vragen: welke positie neemt het wijfje in het dierenrijk in en welk bijzonder soort vrouwelijkheid manifesteert zich in de vrouw?

Verder vraagt Beauvoir zich af wat eigenlijk de betekenis is van die scheiding van een soort in twee geslachten. Niet alle soorten hebben twee geslachten. Eencelligen splitsen zichzelf, er zijn dieren die knopvorming gebruiken om zich voort te planten, en dergelijke meer.

Het bestaan van heterogene gameten [zoals bijvoorbeeld eicellen en zaadcellen bij de mens, nvdr] betekent nog niet dat er ook een duidelijke scheiding van geslachten bestaat. (…) de heterogene gameten kunnen door een en hetzelfde individu worden voortgebracht.

Dit komt bijvoorbeeld voor bij veel planten, gelede dieren en weekdieren, voortplanting gebeurt dan via zelfbevruchting of kruisbevruchting.

Al wat men met zekerheid kan beweren is, dat in de natuur beide wijzen van voortplanting voorkomen, dat ze beide het voortbestaan van de soort waarborgen en dat zowel de heterogeniteit der gameten als de aanwezigheid van gonaden in het organisme incidenteel blijken te zijn. De scheiding van individuen in mannetjes en vrouwtjes doet zich dus aan ons voor als een onloochenbaar en toevallig feit.

Onloochenbaar en toevallig, prachtig omschreven.

Maar toch had men nog niet alle geloof in de ideeën van Aristoteles verloren. Hegel was van mening dat het noodzakelijk was dat de beide geslachten verschillend waren; de een zou actief, de ander passief zijn en vanzelfsprekend was dat passieve lot toebedeeld aan de vrouw.

Er volgt een vrij uitgebreide analyse van zaadcellen versus eicellen die ik hier niet ga herhalen.

We kunnen daaruit dus concluderen dat de rol van beide gameten in wezen gelijk is; samen creëren zij een levend wezen, waarin zij beide verloren gaan en zich transcenderen. Maar in deze secundaire en uiterlijke verschijnselen, die voorwaarde zijn voor de bevruchting, is het het mannelijke element, dat de verandering van situatie, die noodzakelijk is voor het ontluiken van nieuw leven, teweegbrengt; het is het vrouwelijk element, waardoor dit nieuwe leven zich vestigt in een stabiel organisme.

Natuurlijk is het erg vermetel om uit deze feiten af te leiden dat de plaats van de vrouw voor de huiselijke haard hoort te zijn; maar er zijn nu eenmaal vermetele lieden.

Het is niets nieuws dat er op de biologie een beroep wordt gedaan om de ondergeschikte plaats van vrouwen te rechtvaardigen. Ook in Beauvoirs tijd stoelde die rechtvaardiging al op theorieën die al lang naar de vuilnismand van de geschiedenis waren verwezen. Zoals pijnlijk duidelijk is uit de periodes van sociobiologie en evolutionaire psychologie die volgden, blijven ze maar proberen. Het zou grappiger zijn, moest het niet zo vervelend effectief zijn.

Behalve alle andere kritiek over reductionistisch biologische definities, is er hier nog iets dat me stoort, en dat is de verwachting van voortplanting. Als je je als man of als vrouw niet kan voortplanten, wordt je sociaal gezien vaak als een mislukking gezien, de opvoeding hieromtrent is dan ook nogal alomtegenwoordig. Vrouwen moeten kinderen krijgen en ervoor zorgen, anders zijn ze nutteloos: dat idee. Het is iets waar Beauvoir zelf veel kritiek over heeft gekregen.

Die energiekost van de verschillende gameten, waar Beauvoir het kort over heeft, is iets wat zelfs vandaag de dag nog gebruikt wordt als uitleg voor de verschillende rollen van mannen en vrouwen.

Wat verder mooi is, is dat De Beauvoir hier interseksualiteit avant la lettre bespreekt, een stuk beter en geavanceerder dan wat je tegenwoordig soms tegenkomt. De proffen waarvan ik lessen erfelijkheidsleer en fysiologie volgde aan de Universiteit Gent (België), hadden het over hermafroditisme als “iets raars”, en nog allerlei beledigende onzin. Het is op sommige plaatsen zeker beter, daar niet van, maar wat dat betreft is het droevig hoe weinig vooruitgang er geboekt is op ondertussen meer dan zestig jaar tijd.

Het is erg moeilijk een omschrijving van het begrip vrouwtje te geven, die algemene geldigheid bezit; de definitie dat het vrouwtje de draagster van de eicel en het mannetje de drager van de spermatozoïde is, is beslist ontoereikend, omdat de verhouding van organisme tot gonaden uiterst gevarieerd is; anderzijds heeft de differentiatie van gameten geen rechtstreekse invloed op het organisme als geheel.

Ze bespreekt een groot aantal diersoorten, maar omdat ik meer geïnteresseerd ben in andere aspecten ga ik hier snel overgaan. Als bijzondere vermelding wil ik het nog even hebben over de bidsprinkhaan of praying mantis. Van deze soort gaat het gerucht dat het vrouwtje het mannetje opeet na de paring. Dat is dan weer symbool voor allerlei vormen van castratie-angst. Er blijkt van het gerucht echter weinig waar te zijn, zoiets gebeurt voornamelijk vroeger in laboratoria omdat de wetenschappers de nodige hoeveelheid voedsel voor de bidsprinkhanen onderschat hadden. Dat maakt het eigenlijk nog interessanter 😉

Daarna komt er een interessant stuk over de paring:

(…) het mannetje grijpt het vrouwtje beet en houdt haar op haar plaats. Hij voert de bewegingen uit die nodig zijn voor de paring; bij veel insecten, vogels en zoogdieren dringt hij bij haar naar binnen. Die penetratie ervaart zij innerlijk als een gewelddaad.

Maar het vrouwtje dat belast is met de zorg voor het eitje (…) beschermt dat eitje ook tegen de bevruchting door de man. Er dient dus een weerstand overwonnen te worden, terwijl hij in haar doordringt verwezenlijkt het mannetje zichzelf als activiteit.

Ik neuk, dus ik besta?

Anekdote: de professor die het vak geschiedenis van de psychologie doceerde, zei dat een meisje op haar examen eens de opmerkingen van Descartes, Cogito ergo sum – ik denk dus ik ben – per ongeluk als Coito ergo sum aanhaalde. Geweldig! Maar even serieus, we zien hier een belangrijk thema: het idee dat wat iemand doet die persoon definieert in wat ze zijn. Een man moet mannelijk gedrag vertonen of anders… houdt hij op man te zijn? De existentie creëert de essentie.

En enorm interessant dat ze de opmerking over geweld maakt. Er zijn nog feministes die hierover filosoferen, wat heel interessant is en een voorbeeld van iets waar ik bijvoorbeeld bijna niet over na durf te denken – wat voor beschuldigingen en beledigingen zou ik me dan misschien op mijn nek halen, het is al erg genoeg nu – zei de verontschuldigingsfeministe ;-).

Het lijkt me echter niet doenbaar om dergelijke uitspraken te doen over andere diersoorten, hoe weet Beauvoir hoe andere diersoorten penetratie ervaren? Ze gaat hierover verder:

Die dominantie komt al tot uitdrukking in de houding waarin de paring vertrokken wordt; bij vrijwel alle dieren bevindt het mannetje zich dan op het vrouwtje. (…) Het mannetje stort zijn zaad uit, het vrouwtje ontvangt het. Hoewel dus de vrouw in wezen bij de voortplanting een actieve rol speelt, ondergaat zij de coïtus, die haar door die penetratie en de inwendige bevruchting van zichzelf vervreemdt.

Het is misschien interessant op te merken dat de visie van Simone de Beauvoir sterk veranderd is tijdens en zeker ook na het schrijven van dit boek. Ze was omringd niet door een feministische beweging maar door mannelijke filosofen. Ze heeft hierover verteld in een interview vele jaren later en beschrijft haar positie als “collaborateur”:

In writing The Second Sex I became aware, for the first time, that I myself was leading a false life, or rather, that I was profiting from this male-oriented society without even knowing it. What had happened is that quite early in my life I had accepted the male values, and was living accordingly. Of course, I was quite successful, and that reinforced in me the belief that man and woman could be equal if the woman wanted such equality.

(…) More importantly still, I tended to scorn the kind of woman who felt incapable, financially or spiritually, to show her independence from men. In effect, I was thinking, without even saying it to myself, “if I can, so can they.” In researching and writing The Second Sex I did come to realize that my privileges were the result of my having abdicated, in some crucial respects at least, my womanhood. If we put it in class economic terms, you would understand it easily: I had become a class collaborationist. Well, I was sort of the equivalent in terms of the sex struggle.

Dit maakt het boek enigszins jammer want het creëert een – volgens mij problematisch – denkkader voor feministes als “ik ben verheven boven mijn soort en neem emotieloos objectief – niet als vrouw – waar”. Tezelfdertijd geloof ik niet dat iemand zich volledig boven deze problematiek kan stellen. Maar laten we verdergaan met het boek zelf.

Beauvoir beweert ook nog “ (…) in dieren-gemeenschappen is het dan ook altijd het mannetje, dat de leiding heeft.” Wat helemaal niet klopt, maar goed, het boek was dan ook van de jaren 40 van de vorige eeuw. Evolutionaire psychologen grijpen regelmatig terug naar voorbeelden uit het dierenrijk om te bewijzen dat het toch allemaal natuurlijk is, maar zij kiezen zeer selectief de diersoorten uit. Als reactie op hevige kritiek daarop proberen ze nu meer diersoorten op te nemen en proberen die te proppen in een niet passend hokje teneinde de theorie te kunnen behouden.

In de volgende pagina’s beschrijft Beauvoir vrouwen als een slachtoffer van de soort: zij moeten het meeste van hun leven geven om te zorgen voor nakomelingen, ondergaan menstruatie, zijn vatbaar voor allerlei problemen en ziektes.

Over menstruatie is al heel wat interessant onderzoek gebeurd na de publicatie van de tweede sekse. De veranderingen die Beauvoir beschrijft – grillig humeur, gebrek aan standvastigheid, emotionaliteit etcetera – zijn op zich wel vaak waarneembaar. Sommige zaken zijn nu eenmaal wel biologisch. Maar ook hier is het niet zo eenvoudig. Er is bijvoorbeeld onderzoek naar de sociale constructie van de gevoelens en ervaringen rond menstruatie: als je je hele leven gehoord hebt dat het “een vloek” is, of juist iets “goddelijks”, iets speciaals, dat je er heel veel last van zal hebben, ongemak of pijn; dan zal dat alles vaak bijdragen tot probleemgevoelens.

Verder is ook de vraag: grillig humeur ten opzichte van wat? Ten opzichte van een of andere norm, waarvan dit humeur dan een afwijking is, maar wat is die norm? Mannen? Niet-humeurige vrouwen? Waarom wordt er nooit gezegd “de altijd neutrale persoon, vervloekt met een starheid qua humeur en inflexibele, nauwelijks aanwezige emoties”? Hiermee wil ik trouwens niet beweren dat mannen bijvoorbeeld minder gevoelens zouden hebben dan vrouwen, ik wil enkele kritisch zijn ten opzichte van vaag gedefinieerde “normen”.

Ik geloof dat mensen veel gevoelens hebben, ik geloof wel dat die gevoelens bij mannen minder aanvaard worden in deze maatschappij vanwege de voorgeschreven rol van mannen. Of toch op een andere manier vormgegeven (“Ik was boos op de wereld. Ajax had van PSV met 4-0 verloren en ik gaf mezelf twee opties: vechten of seksen met een prostituee”, zie over klanten).

Bij vrouwen hoort het er dan weer wel bij en is dan een excuus om vrouwen minder serieus te nemen. Maar het is nooit goed: ik ben in een discussie met een man ooit eens verweten zowel overdreven emotioneel als overdreven rationeel te zijn. Zelf had hij natuurlijk de juiste balans getroffen. Dat soort producten van hun eigen verlichtingsreligie zijn bijzonder ergerlijk, pseudo-intellectuelen die blijkbaar enkel nog met wat stokslagen tot minder seksisme gedwongen kunnen worden. Maar ik dwaal weer eens af.

Tenslotte is het ook nog via een zware en moeilijke crisis dat de vrouw tenslotte weet te ontkomen aan de greep van de soort.

(…)

Er wordt wel beweerd dat vrouwen van een bepaalde leeftijd het “derde geslacht” vormen en inderdaad zijn zij geen mannen, maar het zijn ook geen vrouwtjes meer. Vaak wordt deze fysiologische autonomie gekarakteriseerd door een gezondheid, evenwichtigheid en kracht, zoals zij vroeger nooit gekend hebben.

Dat klinkt aannemelijk. De vraag is natuurlijk weer wat daarvoor verantwoordelijk is. Is het dat vrouwen na een bepaalde leeftijd vrij zijn van hun reproductieve rol in de soort en dus vrijer zijn om zichzelf te zijn, niet onderdrukt in paring (seks dus) of door een lichaam gericht op voortplanting? Of is het dat ze vanaf een bepaalde leeftijd een heleboel angsten en obsessies in verband met seksuele beschikbaarheid achterwegen kunnen laten en daardoor dus zich beter voelen?

Hierna houdt ze nog een pleidooi over de biologische aspecten van vrouwen die hen grilliger maken dan mannen, het slachtoffer van huilbuien, hysterisch lachen en zenuwcrises. Ook hier ontken ik dat niet, ik ondervind het regelmatig aan de lijve. Maar als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat het op zijn zachtst gezegd onduidelijk is welke rol de sociale wereld speelt in het toelaten, versterken of mogelijk maken van dergelijke uitingen van gevoelens.

Op het einde van het hoofdstuk gaat Beauvoir hier nog eens op in, na een vermakelijk stukje over het gewicht van hersenen – ja, ook daar willen “wetenschappers” wel eens mee afkomen om de intellectuele superioriteit van de man te bewijzen.

Ik wijs ook ieder stelsel af, dat uitgaat van een als vanzelfsprekend aanvaarde natuurlijk hiërarchie, bijvoorbeeld een evolutionaire hiërarchie. (…) Al deze betogen waarin een vaag naturalisme wordt vermengd met een nog vagere ethiek of esthetica zijn niets anders dan een spel met woorden. Alleen in menselijk perspectief kan men in de menselijke soort het mannetje en het vrouwtje vergelijken. En de definitie van een mens is niet dat hij [sic] een onveranderlijk gegeven wezen is, maar een wezen dat zichzelf maakt tot wat hij is. Of, zoals Merleau-Ponty zeer terecht heeft opgemerkt: de mens is geen natuurlijke soort, maar een historisch begrip. De vrouw is geen voltooide en vaststaande realiteit, maar een wording.

(…)

De biologie alleen kan ons geen antwoord verschaffen op de vraag die ons bezighoudt: waarom is de vrouw de Ander?

En daarmee sluiten we af. Wordt vervolgd…

Advertenties